Samengestelde zin

Welkom!
Fijn dat je er bent,
ga lekker zitten.

Pak je spullen:
  • leesboek
  • laptop (dicht, op tafel)



Open je leesboek, 
we starten met lezen.
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 28 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Welkom!
Fijn dat je er bent,
ga lekker zitten.

Pak je spullen:
  • leesboek
  • laptop (dicht, op tafel)



Open je leesboek, 
we starten met lezen.

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Doel van de les
Je kent:
  • het verschil tussen enkelvoudige en samengestelde zinnen.
  • het verschil tussen hoofd- en bijzinnen.


Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Raad het verhaal
1. De wekker ging af.

2. Ik bleef nog even liggen.

3. Mijn moeder riep me.

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Raad het verhaal
1. De wekker ging af.

2. Ik bleef nog even liggen.

3. Mijn moeder riep me.

→ Hoe maak je van deze losse zinnen een lopend verhaal?

Slide 4 - Slide

Concludeer samen dat sommige woorden zinnen aan elkaar koppelen en daarmee een samengestelde zin vormen.
Raad het verhaal
1. De wekker ging af.

2. Ik bleef nog even liggen.

3. Mijn moeder riep me.

→ Hoe maak je van deze losse zinnen een lopend verhaal?
Gebruik de verbindingswoorden maar, want, omdat, en, dus

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Samengestelde zin?
→ Sommige woorden koppelen zinnen aan elkaar en vormen daarmee een samengestelde zin.

1. Nevenschikkende samengestelde zin
Bestaat uit twee hoofdzinnen die zelfstandig kunnen bestaan.
2. Onderschikkende samengestelde zin
Bestaat uit een hoofdzin en een bijzin.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Zie blz. 222

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Enkelvoudige zin
  • In een enkelvoudige zin zit één persoonsvorm en één onderwerp
  • De enkelvoudige zin wordt ook wel de hoofdzin genoemd.
  • In een enkelvoudige zin staan persoonsvorm en onderwerp naast elkaar.

  1. De jongen (ow) fietst (pv) liever naar school.
  2. In de zomer eet (pv) mijn vader (ow) veel ijs.
  3. Morgen ben (pv) ik (ow) niet bij de voetbaltraining.









Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Samengestelde zin
  • In een samengestelde zin zitten meerdere persoonsvormen en meerdere onderwerpen
  • De samengestelde zin kan uit twee hoofdzinnen bestaan.
  • Twee hoofdzinnen worden aan elkaar geplakt met: en, of, want, maar en dus.

Ik pak mijn boeken en (ik) ga naar school.
Hij blijft thuis, want hij is vanmorgen ziek geworden.








Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Samengestelde zin
  • In een samengestelde zin zitten meerdere persoonsvormen en meerdere onderwerpen
  • De samengestelde zin kan ook uit een hoofdzin en een bijzin of meerdere bijzinnen bestaan.

  • In de bijzin staan PV en OW meestal niet naast elkaar.
  • In de bijzin past er tussen PV en OW een zinsdeel.








Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Samengestelde zin
  • In de bijzin staan PV en OW meestal niet naast elkaar!
  • In de bijzin past er tussen PV en OW een zinsdeel.

  1. Omdat ik naar trainig moet, rij ik extra hard door. (BZ + HZ)
  2. Hij kijkt naar zijn zusje, terwijl zij een cake bakt. (HZ + BZ)

Een hoofdzin + een bijzin worden aan elkaar geplakt met:
                          omdat, terwijl, zodat, doordat, maar, dat etc.








Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Aan de slag!
Je maakt in de online methode:
- Cursus 5 Grammatica 
- § 9 Samengestelde zin
- Opdracht 1 t/m 4

Klaar? 
Ga naar § 10 Voegwoord, lees de theorie en maak opdracht 1 t/m 5. 

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Welkom!
Fijn dat je er bent,
ga lekker zitten.

Pak je spullen:
  • leesboek
  • laptop (dicht, op tafel)



Open je leesboek, 
we starten met lezen.

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Doel van de les
Je weet al:
  • wat samengestelde en enkelvoudige zinnen zijn en hoe je die herkent.

Je kunt:
  • voegwoorden herkennen en gebruiken.


Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Slide 17 - Video

This item has no instructions

Enkelvoudige zin

  • Zin met één persoonsvorm
Samengestelde zin

  • Zin met twee of meer persoonsvormen

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Voorbeeld enkelvoudige zin
  • Het wordt slecht weer vandaag.
  • Ik ga vandaag naar de Action.
  • Hij kijkt veel naar Star Wars.

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Voorbeeld samengestelde zin
  • Het wordt vandaag mooi weer en we gaan lekker naar het strand. 
  • Hij kijkt veel naar Star Wars en schrijft daar over op zijn website.

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Voegwoord

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Samengestelde zin
  • Bestaat uit twee of meer zinnen.
  • Is gekoppeld door middel van een voegwoord
  • Voegwoord kan ook gebruikt worden bij een opsomming

Benthe en Daan fietsen samen naar huis, omdat ze in dezelfde straat wonen.

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Voegwoorden
  • Voegwoorden zijn een soort cement.
  • Je kunt met voegwoorden zinnen of woorden aan elkaar plakken.

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Nevenschikking

- Zinnen kunnen los van elkaar voorkomen.

- Je zou in principe tussen alle zinnen een punt kunnen zetten.

Onderschikking

- De zinnen kunnen niet los van elkaar voorkomen.

- De zinnen zijn afhankelijk van elkaar.

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Voegwoorden
1. Joris loopt altijd naar school, terwijl hij een elektrische fiets in de schuur heeft staan.

2. Omdat Joris slechts 5 minuten hoeft te lopen, heeft hij zijn fiets niet nodig.

3. Joris vindt lopen leuk en Joris houdt niet van fietsen.

Groen = hoofdzin
Rood = bijzin

Terwijl, omdat en en zijn niet benoemd -> dit zijn voegwoorden.

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Nevenschikkende voegwoorden (ns.vw) = gelijkwaardig
-> 2 hoofdzinnen


  • en
  • maar
  • want 
  • of
  • dus
Onderschikkende voegwoorden (os.vw) -> hoofdzin/bijzin

  • aangezien
  • als
  • dan
  • dat
  • doordat
  • hoewel
  • terwijl
  • toen
  • mits
  • nadat
  • of
  • opdat
  • omdat
  • tenzij
  • zodat
  • zodra

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Even oefenen
Benoem de zin (HZ/BZ) + schrijf het voegwoord op en zet erboven of het een onderschikkend of nevenschikkend voegwoord is. 

1. Janneke moest vanmorgen naar het ziekenhuis, omdat ze plotseling was uitgegleden op de trap.

2. We wilden gaan picknicken, maar het begon ineens te regenen, waardoor we toch maar binnen bleven.

3. Aangezien hij zijn sportkleren was vergeten, kon hij niet meedoen met gym. 


Slide 27 - Slide

1. hoofdzin - bijzin. VW = omdat = onderschikkend
2. hoofdzin - hoofdzin - bijzin. VW= maar (nevenschikkend) waardoor (onderschikkend)
3. 
Aan de slag!
Je maakt in de online methode:
- Cursus 5 Grammatica 
- § 10 Voegwoord
- Opdracht 1 t/m 4

Klaar? 
Ga naar § 11 Zinsdeelzin, lees de theorie en maak opdracht 1 t/m 5. 

Slide 28 - Slide

This item has no instructions