De ............................ is het bedrag waarvoor je het duurzame productiemiddel hebt gekocht.
Een ander woord voor de kosten van waardevermindering is .................................
De ............................. bereken je zo: de aanschafwaarde min de totale afschrijvingen op dat moment
Wat het duurzame productiemiddel nog opbrengt als je stopt het te gebruiken noemen we de ................................
De ...................................... zegt iets over hoe lang het duurzame productiemiddel meegaat.
Daar hebben we twee soorten van:
De periode tot het duurzame productiemiddel volledig versleten is noemen we ook wel de ...........................................
De periode tot op het moment dat het goedkoper is om een nieuw duurzaam productiemiddel te kopen in plaats van het bestaande te blijven gebruiken. We schrijven over het algemeen af tot deze ............................................ voorbij is.