Persoonlijk vnw als COD

Het lijdend voorwerp
Grammatica H, blz 120
1 / 18
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Het lijdend voorwerp
Grammatica H, blz 120

Slide 1 - Slide

Wat is het lijdend voorwerp in de zin:
Chloe ontmoet Romain in de bioscoop
A
Chloe
B
Ontmoet
C
Romain
D
In de bioscoop

Slide 2 - Quiz

Wat is een lijdend voorwerp?
Ik stuur een brief
Ronald zoekt Marieke

Slide 3 - Slide

Nu in het Frans
J’envoie une lettre
Je mange une tarte
Ronald cherche Marieke

Slide 4 - Slide

Wat is het lijdend voorwerp in de zin:
Tu as un livre à l’école
A
Tu
B
As
C
Un livre
D
A l’ecole

Slide 5 - Quiz

Wat is het lijdend voorwerp in de zin:
Je visite le musée à Paris
A
Je
B
Le musée
C
Visite
D
A Paris

Slide 6 - Quiz

Het lijdend voorwerp vervangen door een persoonlijk voornaamwoord

Slide 7 - Slide

Ik geef een boek
Ik geef het
Je donne un livre
Je le donne

Slide 8 - Slide

Me (M’)
Te (T’)
Le (L’)
La (L’)

Nous
Vous
Les
Les

Slide 9 - Slide

Je donne un livre
Je … donne
A
Me
B
Le
C
Te
D
La

Slide 10 - Quiz

Romain cherche Chloe
Romain … cherche
A
La
B
Le
C
Les
D
Te

Slide 11 - Quiz

Je vois mes amis
Je … vois
A
Vous
B
Nous
C
Le
D
Les

Slide 12 - Quiz

Plaats in de zin
Voor het eerste werkwoord in de zin
Als er een heel werkwoord in de zin staat, dan daarvoor

Slide 13 - Slide

Plaats in de zin
Je mange la pomme > Je la mange
J’ai mangé la pomme > Je l’ai mangé
Je vais manger la pomme > Je vais la manger

Slide 14 - Slide

Tu vas donner un livre
A
Tu vas le donner
B
Tu vas donner le
C
Tu le vas donner
D
Le tu vas donner

Slide 15 - Quiz

Romain voit Lisa et Chloe
A
Romain la voit
B
Romain les voit
C
Romain voit la
D
Romain voit les

Slide 16 - Quiz

J’ai mangé une tarte
A
J’ai la mangé
B
J’ai mangé le
C
J’ai le mangé
D
Je l’ai mangé

Slide 17 - Quiz

Aan de slag
Maak oefening 29, 31 en 32
In tweetallen, fluisterend

Slide 18 - Slide