V1G 18/03

V1G - 18 maart
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

V1G - 18 maart

Slide 1 - Slide

Wat gaan we vandaag doen?
Tekstverbanden en signaalwoorden
Maak een kwartet 

Lesdoelen:
Je weet wat tekstverbanden en signaalwoorden zijn.
Je kent vijf tekstverbanden en je kent per tekstverband minimaal 4 signaalwoorden die erbij horen.

Slide 2 - Slide

Tekstverbanden
Geven een verband aan in de zin

De man liep naar huis, maar de vrouw liep naar het station.
De man liep naar huis, want de vrouw liep naar het station.
De man liep naar huis, terwijl de vrouw naar het station liep.

Geeft een betekenis in de zin.

Slide 3 - Slide

Tekstverbanden
Vaak herken je tekstverbanden aan signaalwoorden

De man liep naar huis, maar de vrouw liep naar het station.
De man liep naar huis, want de vrouw liep naar het station.
De man liep naar huis, terwijl de vrouw naar het station liep.

Die kennen wij ook als voegwoorden

Slide 4 - Slide

Tekstverbanden
Tijd                                                                  Uitleg (toelichting)
Opsomming                                                Argumentatie
Vergelijking                                                 Doel-middel
Tegenstelling                                             Samenvattend
Oorzaak-gevolg                                        Concluderend

Elk tekstverband heeft zijn eigen signaalwoorden
Daarmee kun je zien welk verband een tekst heeft

Slide 5 - Slide

Tekstverbanden
Vandaag kijken we naar:
- Tijd
- Opsomming
- Vergelijking
- Tegenstelling
- Oorzaak-gevolg

Slide 6 - Slide

Tekstverbanden
Tijd
De alinea's staan in volgorde van tijd.
eerst, daarna, wanneer, later, voordat, vroeger, ...

Eerst ga ik naar de supermarkt, daarna ga ik naar huis en later fiets ik naar de sportschool.


Slide 7 - Slide

Tekstverbanden
Opsomming
Er worden dingen op een rijtje gezet, opgeteld.
en, ook, verder, ten eerste...ten tweede, vervolgens, bovendien

Ik houd van lezen en sporten. Ook muziek maken doe ik graag.

Slide 8 - Slide


Vroeger tekende ik altijd, nu verf ik liever.
A
tijd
B
opsomming

Slide 9 - Quiz

Tekstverbanden
Vergelijking
Er worden twee dingen met elkaar vergeleken (wat zijn de verschillen, wat zijn de overeenkomsten)
net zoals, hetzelfde als, lijkt op, even

Een bal is rond, net zoals een sinaasappel.

Slide 10 - Slide


Ik heb thuis tien boeken en acht pennen.
A
tijd
B
opsomming
C
vergelijking

Slide 11 - Quiz

Tekstverbanden
Tegenstelling
Dingen zijn het tegenovergestelde van elkaar.
maar, echter, enerzijds...anderzijds..., toch

Tom is heel rustig, maar zijn broer is heel druk.

Slide 12 - Slide


De zon schijnt, het is warm! Toch ga ik in de auto naar mijn werk.
A
tijd
B
opsomming
C
vergelijking
D
tegenstelling

Slide 13 - Quiz

Tekstverbanden
Oorzaak-gevolg
Het gaat over de reden waarom iets gebeurt en wat daarvan de gevolgen zijn.
want, daardoor, daarom, als gevolg van

Het regende heel hard, daarom kwam de trein te laat.

Slide 14 - Slide


Ik heb blauwe ogen, net zoals mijn moeder.
A
opsomming
B
tegenstelling
C
vergelijking
D
oorzaak-gevolg

Slide 15 - Quiz


Ik ga taart eten, want mijn broer is jarig.
A
oorzaak-gevolg
B
opsomming
C
tegenstelling
D
tijd

Slide 16 - Quiz

Kwartet maken
Wat: Je gaat een kwartetset maken over een tekstverband. 
Hoe: Je doet het in een tweetal. Je krijgt een tekstverband, je kiest vier signaalwoorden en je maakt een kwartetset. Per signaalwoord één kaartje, je zet het signaalwoord in een voorbeeldzin (zie voorbeeld).
Hulp: Probeer het eerst samen. Steek anders je vinger even op.
Tijd: Ongeveer 20-30 minuten.
Klaar? Maak je kwartetset mooi. Helemaal klaar? Maak opdracht Schrijfdoelen af of ga verder in Disk.

Slide 17 - Slide

Kwartet spelen in groepje

Slide 18 - Slide

Einde van de les
Lesdoelen:
Je weet wat tekstverbanden en signaalwoorden zijn.
Je kent vijf tekstverbanden en je kent per tekstverband minimaal 4 signaalwoorden die erbij horen.

Levend memory

Slide 19 - Slide