1.9 Herhalen Stam+t en Kofschip

Werkwoordspelling

De komende 4 weken gaan we bezig met werkwoordspelling.

Je doet de hoofdstukken 1.9 t/m 5.9
LET OP: géén leestekens!

SO in week 15
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Werkwoordspelling

De komende 4 weken gaan we bezig met werkwoordspelling.

Je doet de hoofdstukken 1.9 t/m 5.9
LET OP: géén leestekens!

SO in week 15

Slide 1 - Slide

Werkwoordspelling
Hoofdstuk 1.9  HERHALING VAN KLAS 1

1. Ik weet hoe ik een werkwoord vervoeg naar de tegenwoordige tijd (stam+t)

2. Ik weet hoe ik sterke en zwakke werkwoorden (KofSCHiP)
in de verleden tijd zet.

Slide 2 - Slide

De persoonsvorm (pv)
  • De persoonsvorm is altijd een werkwoord.
  • Elke zin heeft altijd één persoonsvorm.
  • Staat er maar één werkwoord in de zin?
     Dan is dat automatisch de persoonsvorm.
  • Je vindt de persoonsvorm door de getalsproef, de tijdsproef    en je kunt de zin ook vragend maken (de pv staat dan   
      vooraan in de zin).



Slide 3 - Slide

Het onderwerp (o)
  • Het onderwerp is de hoofdrolspeler in de zin;
  • Het kan een persoon, een dier, een ding of een begrip zijn;
  • Als het onderwerp in meervoud staat, dan staat de     persoonsvorm ook in het meervoud;
  • Het onderwerp en de persoonsvorm staan altijd naast elkaar
  • Je vindt het onderwerp door de onderwerpsvraag te stellen:
      wie / wat + werkwoordelijk gezegde



Slide 4 - Slide

De tegenwoordige tijd (OTT)

Werkwoordspelling hoofdstuk 1.9:


Om de tegenwoordig tijd van een werkwoord te kunnen
vormen, heb je de STAM van het werkwoord nodig.

Slide 5 - Slide

De tegenwoordige tijd (OTT)

De stam van een werkwoord vind je door van het hele werkwoord -en af te halen; wat je overhoudt, is de stam.




Bijvoorbeeld:

worden - en = word

leiden - en = leid

houden -en = houd


Slide 6 - Slide

De STAM van een werkwoord NT2

Soms ziet de stam van het werkwoord er gek uit




Kijk maar:

geloven - en = gelov

reizen - en = reiz

lopen - en = lop



Slide 7 - Slide

De STAM en de ik-vorm NT2

Dus zijn de stam en de ik-vork NIET hetzelfde:




Kijk maar (stam / ik-vorm):

geloven - en = gelov > geloof

reizen - en = reiz > reis

lopen - en = lop > loop



Slide 8 - Slide

De STAM en de ik-vorm NT2
Daarom heeft de stam soms aanpassing nodig om de ik-vorm te krijgen
lop > loop
reiz > reis
verv > verf

Slide 9 - Slide

1. STAM

Enkelvoud ik-vorm of jij erachter:

schrijf alleen de stam


ik loop

ik fiets

ik praat

ik vind

loop jij

fiets jij

praat jij

vind jij

Slide 10 - Slide

2. STAM + T

Enkelvoud andere vormen:

schrijf de stam + t


jij loopt

hij fietst

zij praat

Fred vindt

Slide 11 - Slide

3. HELE WERKWOORD

Meervoud:

schrijf het hele werkwoord


wij lopen

zij fietsen

jullie praten

Fred en Laurien vinden

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Video

De PV in de verleden tijd 1.9

De persoonsvorm staat in de verleden tijd
als iets al gebeurd is.

Slide 14 - Slide

pv in de verleden tijd
1. Vorige week won ons team de hoofdprijs.
2. We fietsten gisteren naar de dierentuin.

A. Wat is het sterke en wat is het zwakke werkwoord?

B. Met welke ezelsbrug kun je de vt van het zwakke werkwoord vinden?

C. Kun je dat trucje ook bij sterke werkwoorden gebruiken?

Slide 15 - Slide

'T eX KoFSCHiP
Talent

Slide 16 - Slide

Persoonsvorm verleden tijd zwakke werkwoorden

Slide 17 - Slide

Hij ..... (wachten) wel een uur op de bus naar Elburg!

Slide 18 - Open question

Mijn beste vriend is de afgelopen jaren heel erg ... (veranderen).

Slide 19 - Open question

Het meisje ... (praten) de hele tijd door de docent heen.

Slide 20 - Open question

Ik wist niet dat er een ongeluk
was ... (gebeuren).

Slide 21 - Open question

sterke werkwoorden
Bij sterke werkwoorden verandert de klank (sound) in de verleden tijd:
slapen - sliepen
vinden - vonden
krijgen - kregen

Slide 22 - Slide

sterke werkwoorden
Weet je niet of het woord op een -d of een -t eindigt? Maak het woord langer.
rijden: reden - reed (to drive)
schelden: scholden - schold (to swear)
eten: aten - at (to eat)
smelten: smolten - smolt (to melt)

Slide 23 - Slide

sterke werkwoorden
Naast de klankverandering eindigt het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden eindigt vaak op -en-
winnen-gewonnen
verliezen-verloren
eten-gegeten

Slide 24 - Slide

Denk goed na !
Soms lijkt een werkwoord zwak, maar is deze toch sterk.
Welke van deze werkwoorden zijn sterk?

1. een kruisboog spannen
2. een biertje brouwen
3. ik moet hard lachen

Slide 25 - Slide

Alle tijden in een stroomschema:

Slide 26 - Slide

Oefentoets
We gaan drie oefentoetsen werkwoordspelling doen om je
de kans te geven je te verbeteren tot het

SO werkwoordspelling in week 15

Jullie zijn uitgenodigd voor het maken van de eerste toets.

Slide 27 - Slide