Herhalen gramm K4 klas 2

Herhalen grammatica K4 klas 2
1 / 34
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 10 min

Items in this lesson

Herhalen grammatica K4 klas 2

Slide 1 - Slide

Maak de opdrachten zonder boek.


Beheers je de grammatica?

Slide 2 - Slide

Grammatik A
Dürfen, können, mögen

Slide 3 - Slide

Koppel de Nederlandse werkwoorden aan de juiste Duitse vertaling.
dürfen
können
mögen
kunnen
houden van
mogen

Slide 4 - Drag question

Stappenplan:
  1. Welk werkwoord heb ik nodig? Kunnen, mogen, of houden van
  2. Om welke persoon gaat het?
  3. Kies de juiste vervoeging.

Slide 5 - Slide

Vertaal: ik mag.

Slide 6 - Open question

Wat is de juiste vertaling?

Jullie kunnen
A
ihr könnt
B
wir können
C
du kannst
D
ihr können

Slide 7 - Quiz

Vertaal: wij houden van

Slide 8 - Open question

Hoe heb je gescoord bij Grammatik A?
Vind je het makkelijk, of moet je hier nog extra aandacht aan besteden?
Vul in.
😒🙁😐🙂😃

Slide 9 - Poll

Vertaal: hij mag

Slide 10 - Open question

Grammatik B
Het voltooid deelwoord

Slide 11 - Slide

Wat is de hoofdregel voor het voltooid deelwoord?

Slide 12 - Mind map

Hoofdregel:
ge + stam + t

Slide 13 - Slide

Hoe vind je de stam van een werkwoord?

Slide 14 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van het Duitse werkwoord 'wohnen'?
A
wohnt
B
gewohnd
C
gewohnt
D
gewohnent

Slide 15 - Quiz

Wat is het voltooid deelwoord van het Duitse werkwoord 'lieben'?

Slide 16 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van het Duitse werkwoord 'machen'?

Slide 17 - Open question

Wat is het voltooid deelwoord van het Duitse werkwoord 'kochen'?

Slide 18 - Open question

Hoe heb je gescoord bij Grammatik B?
Vind je het makkelijk, of moet je hier nog extra aandacht aan besteden?
Vul in.
😒🙁😐🙂😃

Slide 19 - Poll

Grammatik C
Im, am en um

Slide 20 - Slide

Koppel de Nederlandse woorden aan de juiste Duitse vertaling.
im
am
um
in
om
op

Slide 21 - Drag question

Ich habe einen Termin ... 13. April.

Kies uit:
A
im
B
am
C
um

Slide 22 - Quiz

Wir haben Pause ... 11 Uhr.

Kies uit:
A
im
B
am
C
um

Slide 23 - Quiz

Das Wetter ist schon gut ... April.

Kies uit:
A
im
B
am
C
um

Slide 24 - Quiz

Ich muss ... Donnerstag arbeiten.

Kies uit:
A
im
B
am
C
um

Slide 25 - Quiz

Wir wollen ... Sommer Urlaub machen.

Kies uit:
A
im
B
am
C
um

Slide 26 - Quiz

Hoe heb je gescoord bij Grammatik C?
Vind je het makkelijk, of moet je hier nog extra aandacht aan besteden?
Vul in.
😒🙁😐🙂😃

Slide 27 - Poll

Grammatik D

Slide 28 - Slide

's Ochtends
's Middags
's Avonds
's Nachts
morgens
vormittags
am Mittag
am Nachmittag
am Abend
abends
in der Nacht
nachts

Slide 29 - Drag question

Hoe zeg je:
's nachts?
Geef 2 mogelijkheden.

Slide 30 - Open question

Hoe zeg je:
's ochtends?
Geef minimaal 2 van de 4 mogelijkheden.

Slide 31 - Open question

Hoe zeg je:
's middags?
Geef 2 mogelijkheden.

Slide 32 - Open question

Hoe zeg je:
's avonds?
Geef 2 mogelijkheden.

Slide 33 - Open question

Hoe heb je gescoord bij Grammatik D?
Vind je het makkelijk, of moet je hier nog extra aandacht aan besteden?
Vul in.
😒🙁😐🙂😃

Slide 34 - Poll