1 -2a-3 -2b
Onderwerp - werkwoord - tijd -
manier/wat -
plaats
Ed gaat vandaag de boodschappen bij de Jumbo doen.
Ik ga in de kerstvakantie met de auto naar Oostenrijk.
Let op: dit is de meest gebruikelijke volgorde, maar een andere volgorde is vaak ook mogelijk en geeft een andere nadruk.