Klare taal les 32 hoofdzin en vraagzin

Zinsbouw/ woordvolgorde
hoofdzinnen en vraagzinnen
1 / 15
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Zinsbouw/ woordvolgorde
hoofdzinnen en vraagzinnen

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
Na deze les kun je:
  • goede hoofdzinnen maken
  • goede hoofdzinnen met inversie maken
  • goede open vragen maken
  • goede gesloten vragen maken

Slide 2 - Slide

Hoofdzinnen
onderwerp (1)   +     persoonsvorm (2 )  +     rest (3)

Ik heb op maandagochtend les.

De griep komt elk jaar in de herfst terug.

Slide 3 - Slide

Volgorde van de rest

Onderwerp (1) - persoonsvorm (2)tijd (3)  wat /manier (4) plaats (5) - tweede werkwoordsvorm (6)

Mo gaat vandaag de boodschappen op de markt doen.
Ik ga in de meivakantie met de fiets naar Hoek van Holland.

        Let op: dit is de meest gebruikelijke volgorde, maar een andere volgorde is vaak ook            mogelijk  en geeft een andere nadruk.

Slide 4 - Slide

______________________________________________________________________________.
Maak een goede zin. Begin met het onderwerp.
zij
eet
morgen
spaghetti
bij haar vriend

Slide 5 - Drag question

Hoofdzin met 2 werkwoorden
onderwerp   +    persoonsvorm   +    rest     +  tweede werkwoordsvorm

Kim gaat vandaag de boodschappen op de markt doen.

Slide 6 - Slide

______________________________________________________________________________.
Maak een goede zin. Begin met het onderwerp.
leest
zijn krant
de man
altijd
in de metro

Slide 7 - Drag question

________________________________________________________________________________________________.
Maak een goede zin. Begin met het onderwerp.
naar de garage
vandaag
de auto
wij
hebben
gebracht

Slide 8 - Drag question

_______________________________________________________________________________________________.
Maak een goede zin. Begin met het onderwerp.
het meisje
heeft
haar handen
in de keuken
voor het eten
gewassen

Slide 9 - Drag question

Hoofdzinnen met inversie.

Tijd (1)+     persoonsvorm  (2) +     onderwerp   (3) +     rest:wat/waar  (4)   tweede werkwoordsvorm (5)

Vandaag gaat Kim de boodschappen op de markt doen.

Let op: Een zin beginnen met de tijd gebeurt heel vaak in het Nederlands. Beginnen met de plaats kan wel, maar gebeurt minder.

Slide 10 - Slide

_______________________________________________________________________________________________.
Maak een goede zin. Begin met de tijd.
hebben
we
vorige week
al ons geld
van de bank
gehaald

Slide 11 - Drag question

_______________________________________________________________________________________________.
Maak een goede zin. Begin met de tijd.
volgende maand
in Duitsland
ik 
wil
mijn broer
opzoeken

Slide 12 - Drag question

Vraagzinnen
Open vragen 
Vraagwoord     +     persoonsvorm    +     onderwerp   +     rest
Welke datum is  de zomervakantie dit studiejaar?

Gesloten vragen (ja/nee-vragen) 2 - 1 - 3
Persoonsvorm   +     onderwerp     +      rest
Gaan jullie volgende week op stage?

Slide 13 - Slide

_______________________________________________________________________________________________?
Maak een goede open vraag.
waarom
vandaag
te laat
je
kwam
op school

Slide 14 - Drag question

______________________________________________________________________________?
Maak een goede gesloten vraag.
willen
overmorgen
jullie
overnachten
in Breda

Slide 15 - Drag question