Onderwerp (1) - persoonsvorm (2)- tijd (3) -
wat /manier (4) -
plaats (5) - tweede werkwoordsvorm (6)
Mo gaat vandaag de boodschappen op de markt doen.
Ik ga in de meivakantie met de fiets naar Hoek van Holland.
Let op: dit is de meest gebruikelijke volgorde, maar een andere volgorde is vaak ook mogelijk en geeft een andere nadruk.