7. Ze gaan surfen. Ze gaan interessante dingen zoeken op het strand.
8 a Julie woont in een grote stad, Timéo aan de kust; Julie gaat lopend naar school, Timéo gaat met de bus; Julie woont dicht bij haar school, Timéo woont ver weg van zijn school.
b Ze wonen allebei in een appartement; ze wonen allebei niet op de begane grond.
9 a Je vais au collège à pied (Julie).
Nous allons au collège en bus (Timéo).
b je vais nous allons