werkwoord: wat iets of iemand doet of overkomt. (ww met onduidelijke betekenis: hebben, kunnen, zijn, mogen)
lidwoord(lw): blw: de, het | olw: een
zelfstandig naamwoord: mens, dier, ding, gevoel, namen. Kan je meestal de, het of een vóór zetten, meervoud en verkleinwoord van maken.
bijvoeglijk naamwoord: zegt iets van een zn. De rode auto. De hond is groot. De houten deur. stoffelijk bn (st.bn): zegt waarvan het gemaakt is. Het houten bankje. De stoffen tas. De plastic fles.