Een Drosophila-vrouwtje P heeft voor een bepaalde eigenschap twee dominante allelen. Zij wordt gekruist met een mannetje Q dat het fenotype heeft dat door het recessieve allel wordt veroorzaakt. Er ontstaan talrijke nakomelingen (F1). Deze nakomelingen paren onderling en brengen ook weer nakomelingen voort (F2).
De volgende twee uitspraken gelden als de genoemde allelen autosomaal zijn:
1. in de F2 komen, ten aanzien van de genoemde eigenschap, drie genotypen voor,
2. van een talrijke F2 heeft naar verwachting 1/4 van de individuen het genotype van de ene ouder (P), 1/4 het genotype van de andere ouder (Q) en de helft is genotypisch gelijk aan de F1.
2p 8 ■ Geldt uitspraak 1 ook als de allelen X-chromosomaal zijn? En uitspraak 2?
B
Alleen uitspraak 1 geldt dan
C
Alleen uitspraak 2 geldt dan