Oefentoets Genetica

Oefentoets Genetica
1 / 15
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Oefentoets Genetica

Slide 1 - Slide

Bij Drosophila komt onder andere het allel ‘vleugels zonder dwarsaders’ voor. Dit allel is X-chromosomaal en recessief.
Een vrouwtje met vleugels zonder dwarsaders wordt gekruist met een mannetje met normale vleugels. De F1-individuen die hieruit ontstaan, worden onderling gekruist en er ontstaat een F2.
2p 4 ¨ Hoeveel procent van de vrouwtjes uit de F2 heeft vleugels zonder dwarsaders?

Slide 2 - Open question

Van een bepaalde diersoort wordt een zwart dier gekruist met een wit dier. Alle nakomelingen zijn zwart. Deze zwarte F1-dieren planten zich onderling voort. Van de 109 F2-dieren zijn er 84 zwart en 25 wit.

2p 1 ■ Hoeveel van de 84 zwarte F2-dieren zijn heterozygoot?
A
84
B
ongeveer 56
C
ongeveer 42
D
ongeveer 28

Slide 3 - Quiz

Een kweker heeft twee planten met rode bloemen. De ene plant is homozygoot en de andere plant is heterozygoot voor de bloemkleur. Door de nakomelingschap van bepaalde kruisingen te onderzoeken, kan worden bepaald welke plant homozygoot is en welke heterozygoot.

2p 2 ■ Welke van de onderstaande kruisingen komt hiervoor in aanmerking?
A
Beide planten worden met elkaar gekruist.
B
Beide planten worden met een willekeurige andere plant met rode bloemen gekruist
C
Beide planten worden gekruist met een plant die homozygoot recessief is voor de bloemkleur
D
Beide planten worden gekruist met een plant die homozygoot dominant is voor de bloemkleur.

Slide 4 - Quiz

Oogkleur bij Drosophila
Bij Drosophila (fruitvliegje) wordt de oogkleur onder andere bepaald door een X-chromosomaal gen. Het allel voor rode oogkleur is dominant over het allel voor witte oogkleur.
2p 3 ■ Bij welke van de volgende kruisingen zullen alle mannelijke nakomelingen witogig zijn?
A
vrouwtje dat heterozygoot is voor de oogkleur x roodogig mannetje
B
vrouwtje dat heterozygoot is voor de oogkleur x witogig mannetje
C
witogig vrouwtje x roodogig mannetje
D
vrouwtje dat homozygoot roodogig is x witogig mannetje

Slide 5 - Quiz

De drie allelen die bij de mens de bloedgroepen van het AB0-stelsel bepalen, zijn IA, IB en i.
Individuen met genotype IAIB hebben bloedgroep AB; homozygoot recessieve individuen hebben bloedgroep 0.
2p 5 ¨ Als een man met bloedgroep A en een vrouw met bloedgroep B een kind hebben met bloedgroep 0, hoe groot is dan de kans dat het tweede kind bloedgroep 0 zal hebben

Slide 6 - Open question

Albinoplanten
Sommige planten zijn niet in staat om bladgroen te vormen. Dit zogenaamde albinisme berust op de aanwezigheid van een recessief allel.
Bij een tabaksplant die heterozygoot is voor deze eigenschap treedt zelfbestuiving op. Er ontstaan 600 zaden. Na kieming ontstaan hieruit kiemplanten.
2p 6 ¨ Hoeveel van deze kiemplanten zullen naar verwachting albino zijn?

Slide 7 - Open question

Bij konijnen zijn E, ech en e allelen voor vachtkleur. Het allel E geeft fenotypisch het wildtype en is dominant over ech en e. Het allel ech geeft fenotypisch het chinchilla-type en is dominant over e. Het allel e geeft fenotypisch een witte vacht.
Een konijn van het wildtype wordt gekruist met een chinchilla-konijn; de worp bevat zowel wildtype, chinchilla- als witte konijnen.
2p 7 ¨ Welke genotypen hebben de ouder konijnen?

Slide 8 - Open question

Een Drosophila-vrouwtje P heeft voor een bepaalde eigenschap twee dominante allelen. Zij wordt gekruist met een mannetje Q dat het fenotype heeft dat door het recessieve allel wordt veroorzaakt. Er ontstaan talrijke nakomelingen (F1). Deze nakomelingen paren onderling en brengen ook weer nakomelingen voort (F2).
De volgende twee uitspraken gelden als de genoemde allelen autosomaal zijn:
1. in de F2 komen, ten aanzien van de genoemde eigenschap, drie genotypen voor,
2. van een talrijke F2 heeft naar verwachting 1/4 van de individuen het genotype van de ene ouder (P), 1/4 het genotype van de andere ouder (Q) en de helft is genotypisch gelijk aan de F1.
2p 8 ■ Geldt uitspraak 1 ook als de allelen X-chromosomaal zijn? En uitspraak 2?
A
Beiden gelden
B
Alleen uitspraak 1 geldt dan
C
Alleen uitspraak 2 geldt dan
D
Beiden zijn ongeldig

Slide 9 - Quiz

Van leeuwenbekjes is bekend dat de bloemkleur roze wordt bepaald door de allelen E1 en E2. Leeuwenbekjes met genotype E1E1 zijn rood, leeuwenbekjes met genotype E2E2 zijn wit en leeuwenbekjes met genotype E1E2 zijn roze.
Een roze leeuwenbekje wordt bestoven met stuifmeel van een eveneens roze leeuwenbekje. In de talrijke nakomelingenschap lijkt de kleurverhouding te zijn rood : roze : wit = 4 : 4 : 1.
Deze verhouding wijkt af van wat normaal te verwachten is. Deze afwijkende verhouding blijkt verklaard te kunnen worden door het feit dat sommige gameten niet levensvatbaar zijn.
2p 9 ■ Welke gameten van welke ouderplanten zijn niet levensvatbaar?
A
Van 1 van de ouders zijn gameten met E2 letaal
B
Bij elke ouder is de helft van de gameten met E1 letaal
C
Bij elke ouder is de helft van de gameten met E2 letaal
D
Bij elke ouder is de helft van de gameten letaal

Slide 10 - Quiz

Muizen kunnen een lichte of een donkere vachtkleur hebben. In afbeelding 1 staat een stamboom van een muizenfamilie.
Voor en experiment heeft men muizen nodig met een lichte vachtkleur. Daarom laat men de muizen P en Q met elkaar paren om de nakomelingen voor het experiment te kunnen.
2p 10 ■ Welk deel van de muizen die voortkomen uit deze paring van de muizen P en Q zal een lichte vachtkleur hebben?
A
Geen
B
1/4
C
3/4
D
Alle

Slide 11 - Quiz

Afbeelding 2 geeft een stamboom weer waarin de overerving van één kenmerk is opgenomen. De zwarte kleur geeft aan of het kenmerk in het fenotype aanwezig is.
2p 11 ■ Is het allel voor dit kenmerk X-chromosomaal of autosomaal? Is het allel voor dit kenmerk dominant of recessief?
A
X-chromosomaal, dominant
B
X-chromosomaal recessief
C
autosomaal dominant
D
autosomaal recessief

Slide 12 - Quiz

De bloedgroepen van het AB0-systeem worden bepaald door drie allelen: IA, IB en i. De stamboom geeft de overerving weer van de bloedgroep bij enkele leden van een familie. Van één van de kleinkinderen is het fenotype bekend.
Laat met een berekening zien hoe groot de kans is dat kleinkind 8 een meisje met bloedgroep A is?

Slide 13 - Open question

In afbeelding 3 staat een gedeelte van een stamboom van individuen met een eigenschap, die wordt bepaald door een autosomaal (= niet X-chromosomaal) allel.

2p 12 ¨ Is het allel voor deze eigenschap dominant of recessief? Is individu P homozygoot of heterozygoot voor deze eigenschap?
A
allel dominant P homozygoot
B
allel dominant P heterozygoot
C
allel recessief P homozygoot
D
allel recessief P heterozygoot

Slide 14 - Quiz

De normale kleur van parkieten wordt veroorzaakt door het samen voorkomen van het dominante X-chromosomale allel XB en het dominante niet X-chromosomale allel G. Als het dominante allel XB ontbreekt, ontstaat er een lutino (= gele) parkiet. Als het dominante allel G ontbreekt, ontstaat er een blauwe parkiet. Albino parkieten hebben als genotype Xb Xb gg of Xb Ygg. Bij vogels hebben vrouwtjes de geslachtschromosomen X en Y; de mannetjes X en X. Onder de talrijke nakomelingen van twee lutino parkieten komen albinoparkieten voor.
2p 17 ■ Welk deel van deze nakomelingen zal albino zijn?
A
1/8
B
1/4
C
1/2
D
3/4

Slide 15 - Quiz