2Mh meewerkend voorwerp

Grammatica
Meewerkend voorwerp
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Grammatica
Meewerkend voorwerp

Slide 1 - Slide

Programma 
  • Herhalen uitleg grammatica  lijdend voorwerp 
  • Uitleg met het meewerkend voorwerp
  • Aan de slag

Slide 2 - Slide

Hoeveel voorwerpen kan een zin maximaal bevatten?
A
1
B
2
C
3
D
0

Slide 3 - Quiz

Hoeveel voorwerpen bevat de volgende zin: Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
0
B
1
C
2
D
3

Slide 4 - Quiz

Wat is persoonsvorm (pv) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
geef
C
mijn opa
D
een boek

Slide 5 - Quiz

Wat is het onderwerp (ow) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
geef
C
mijn opa
D
een boek

Slide 6 - Quiz

Wat is het werkwoordelijk gezegde (wg) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
geef
C
mijn opa
D
geef voor zijn verjaardag

Slide 7 - Quiz

Vorige les ging over het lijdend voorwerp. Het lijdend voorwerp is datgene in de zin dat iets..
A
uitvoert
B
krijgt
C
ondergaat
D
is

Slide 8 - Quiz

Wat is het lijdend voorwerp (lv)in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
mijn opa
C
een boek
D
voor zijn verjaardag

Slide 9 - Quiz

Wat welke woorden van de zin heb je nog niet benoemd? Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.

Slide 10 - Open question

Doel:

Je kent al het onderwerp, de persoonsvorm, het werkwoordelijk gezegde en het lijdend voorwerp.



DOEL: Je weet wat het meewerkend voorwerp is en je kunt dit in een zin goed aanwijzen.

Slide 11 - Slide

Theorie

gezegde: alle werkwoorden uit de zin

onderwerp: degene die/dat het gezegde uitvoert

lijdend voorwerp: degene/datgene wat iets ondergaat in de zin


meewerkend voorwerp: degene/datgene die/dat iets krijgt. Soms staat er al het woord aan in de zin of je kunt het ervoor plaatsen


Ik geef (aan) mijn moeder een bos bloemen

Slide 12 - Slide

Meewerkend voorwerp

  • Aan / voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
  • Check daarna of je aan of voor kunt weglaten of toevoegen. Soms moet je hiervoor de woordvolgorde aanpassen.

Ik /wil /aan mijn oma /graag/ een dikke knuffel /geven.

Slide 13 - Slide

Filmpje Boom

Slide 14 - Slide

De postbode gaf ons pakketje aan de buurvrouw.

Wat is 'De postbode'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 15 - Quiz

De postbode gaf ons pakketje aan de buurvrouw.

Wat is 'ons pakketje'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 16 - Quiz

De postbode gaf ons pakketje aan de buurvrouw.

Wat is 'aan de buurvrouw'?
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
onderwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 17 - Quiz

Meewerkend voorwerp

  • Ik wil aan mijn tante een grote bos bloemen geven.
  • Ik / wil / aan mijn tante / een grote bos bloemen / geven
  • wg = wil geven
  • ow = ik (Wie wil?)
  • lv = een grote bos bloemen (Wat wil ik geven?)
  • mv --> Aan wie wil ik een een grote bos bloemen geven? aan mijn tante
  • Controle: kan ik aan weglaten? 
  • JA: Ik wil mijn tante een grote bos bloemen geven. --> meew. voorwerp

Slide 18 - Slide

Is dit een meewerkend voorwerp?

Hij maakte het [aan de zijkant] vast.
A
ja
B
nee

Slide 19 - Quiz

Let op:
  • Als een zinsdeel met aan of voor begint en het geeft een plaats / plek / locatie aan, dan is het GEEN meewerkend voorwerp.
  • Als er geen lijdend voorwerp in de zin staat, kan er GEEN meewerkend voorwerp in de zin staan.
  • Een onderwerp en een lijdend voorwerp kunnen NIET met een voorzetsel beginnen: aan, voor, tussen, op, over, in, achter, met, na

Slide 20 - Slide

Is dit een meewerkend voorwerp?

De juf geeft [aan hem] een compliment.
A
ja
B
nee

Slide 21 - Quiz

Is dit een meewerkend voorwerp?

In het vliegtuig zit hij graag [aan het gangpad].
A
ja
B
nee

Slide 22 - Quiz

Is dit een meewerkend voorwerp?

De uitbouw zit [aan de achterkant] van het huis.
A
ja
B
nee

Slide 23 - Quiz

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

Ik gaf mijn moeder een kus.

Slide 24 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

Ivo gaf Mascha een klap in haar gezicht.

Slide 25 - Open question

Wat is het meewerkend voorwerp (MV) in de zin:

De meester heeft Lize de moeilijke som uitgelegd.

Slide 26 - Open question

Aan de slag
https://www.cambiumned.nl/zinsdelen/lijdend-voorwerp/
en
https://www.cambiumned.nl/zinsdelen/meewerkend-voorwerp/

Slide 27 - Slide