Economie 2B

Economie 2B
Evi, Ruth, Solveig, Cecilia, Fleur
1 / 37
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Economie 2B
Evi, Ruth, Solveig, Cecilia, Fleur

Slide 1 - Slide

Les 1

Slide 2 - Slide

Binnenlandse liquiditeitenmassa (primair en secundair) en maatschappelijke geldhoeveelheid (plus de invloeden van de ECB, overheid en buitenland)
Evi en Ruth

Slide 3 - Slide

Wat verstaan we onder
'liquiditeiten'?
A
Het totale bedrag aan geld dat de overheid bezit
B
Alle middelen waarmee je direct en gemakkelijk kunt betalen
C
Alleen het geld dat op bankrekeningen staat
D
Het geld dat bedrijven in reserve houden

Slide 4 - Quiz

Binnenlandse liquiditeitenmassa
  • De liquiditeitenmassa
  • De binnenlandse liquiditeitenmassa
  • Primaire liquiditeiten
  • Secundaire liquiditeiten

Slide 5 - Slide

Wat is het verschil tussen primaire en secundaire liquiditeiten?
A
Primaire liquiditeiten zijn moeilijk te gebruiken, secundaire direct beschikbaar.
B
Secundaire liquiditeiten zijn door de overheid uitgegeven, primaire door banken.
C
Secundaire liquiditeiten zijn altijd contant geld, primaire niet.
D
Primaire liquiditeiten zijn geld van het publiek, secundaire snel om te zetten in primair geld.

Slide 6 - Quiz

Het totale geld in handen van het publiek
Geld dat snel kan worden omgezet in primaire liquiditeiten
Een instelling die geld bewaart, uitleent en betalingen verzorgt.
Het geld dat direct beschikbaar is
Maatschappelijke geldhoeveelheid
Secundaire liquiditeiten
Banken
Primaire liquiditeiten

Slide 7 - Drag question

Maatschappelijke geldhoeveelheid
  • Invloed  ECB
  • Overheid
  • Buitenland

Slide 8 - Slide

Welke van de volgende factoren heeft invloed op de maatschappelijke geldhoeveelheid?
A
De export van Nederland naar het buitenland
B
De rente die de overheid betaalt op spaargeld
C
De prijs van onroerend goed
D
Het aantal mensen dat in Nederland woont

Slide 9 - Quiz

De (1)__________ is het totaal aan geld in handen van het publiek. Dit omvat zowel (2)__________ geld, zoals munten en bankbiljetten, als (3)__________ geld, zoals het geld op betaalrekeningen. Het is de som van de (4)__________ en (5)__________. Banken kunnen geld bijmaken door krediet te verstrekken, wat invloed heeft op de (6)__________. De (7)__________ zorgt ervoor dat banken op een verantwoorde manier omgaan met het bijmaken van geld.
maatschappelijke geldhoeveelheid
centrale bank
chartaal
giraal
primaire liquiditeiten
secundaire liquiditeiten
maatschappelijke geldhoeveelheid

Slide 10 - Drag question

Leg uit waarom spaargelden niet tot de primaire liquiditeiten horen. (opdr. 2a)

Slide 11 - Open question

Waarom worden bankbiljetten zolang ze in de kas van een bank zitten niet gerekend tot de maatschappelijke geldhoeveelheid? (opdr. 2b)

Slide 12 - Open question

Waarom is geld dat langer dan twee jaar vast staat op een (deposito)rekening geen secundaire liquiditeit? (opdr. 7b)

Slide 13 - Open question

Wat hebben we allemaal
behandeld vandaag

Slide 14 - Mind map

Les 2

Slide 15 - Slide

Herhaling les 1

Slide 16 - Slide

Wat verstaan we onder liquiditeiten?
A
Geld dat alleen door de overheid wordt uitgegeven
B
Geld dat banken niet uitlenen
C
Geld dat direct kan worden gebruikt voor betalingen
D
Geld dat op lange termijn in waarde stijgt

Slide 17 - Quiz

Wat is de maatschappelijke geldhoeveelheid?
A
Het totale geld dat de overheid bezit
B
Het geld dat banken bezitten
C
Het geld dat bedrijven gebruiken voor investeringen
D
Het geld in handen van het publiek, zowel chartaal als giraal

Slide 18 - Quiz

Verschil tussen bruto en netto geldschepping en geldvernietiging
Cecilia, Solveig en Fleur

Slide 19 - Slide

Waar denk je aan bij bruto en netto geldschepping en geldvernietiging?

Slide 20 - Mind map

voorbeeld:
Stel je voor: je loopt een bank binnen en vraagt om een lening van €2.000 om een nieuwe scooter te kopen. De bank kijkt naar je inkomsten, denkt dat je de lening kunt terugbetalen en stort €2.000 op je rekening. Maar waar kwam dat geld vandaan? Heeft de bank dat uit een kluis gehaald? Nee! Dit geld is letterlijk uit het niets ontstaan. Dit noemen we geldschepping.

Slide 21 - Slide

Bruto Geldschepping & geldvernietiging
  • Bruto geldschepping: Banken creëren nieuw geld, bijvoorbeeld via leningen.
  • Geldcreatie: Lening verstrekken = nieuw geld in omloop.
  • Geldvernietiging: Terugbetalen van leningen → geld verdwijnt uit het systeem.
  • Balans: Geld wordt gecreëerd én vernietigd, dus er komt niet eindeloos geld bij.

Slide 22 - Slide

Welke situatie leidt tot geldvernietiging
A
Een consument stort €500 contant geld op zijn bankrekening.
B
Een bedrijf lost €1 miljoen af op een eerder afgesloten lening.
C
Een bank verstrekt een nieuwe lening van €50.000 aan een particulier.
D
De ECB verlaagt de rente, waardoor banken meer krediet verstrekken.

Slide 23 - Quiz

Netto geldschepping
  • Netto geldschepping = verschil tussen nieuw gecreëerd geld en vernietigd geld.
  • Voorbeeld: €100 miljard aan leningen – €80 miljard aflossingen = €20 miljard netto geldschepping.

Effecten:
Veel netto geldschepping → economische groei, maar mogelijk inflatie.
Minder geldschepping → geldtekort, nadelig voor economie.

Slide 24 - Slide

Vul in:
Bruto geldschepping (= ...............) - ............... =
netto geldschepping

Slide 25 - Open question

Samenvatting
• Bruto geldschepping = het totaal aan nieuw gecreëerd geld.
• Geldvernietiging = het geld dat verdwijnt door aflossingen.
• Netto geldschepping = het verschil tussen die twee.



Slide 26 - Slide

Met dit in gedachten: wat denk jij dat er gebeurt als mensen plotseling veel minder leningen afsluiten? Of als ze juist allemaal tegelijk hun schulden afbetalen?

Slide 27 - Open question

Wat is transformatie in de monetaire wereld?

Slide 28 - Slide

Voorbeeld
Stel je voor dat je €1.000 op je spaarrekening zet. De bank bewaart dit niet in een kluis, maar gebruikt het om leningen te verstrekken. Hierdoor blijft geld in beweging en groeit de economie. Maar hoe zorgt een bank ervoor dat dit goed verloopt? Dat gebeurt via transformatie in de monetaire wereld.

Slide 29 - Slide

Tekst
Tekst
Waar
Niet waar
Ze bewaren het in een kluis
Ze gebruiken het om leningen te verstrekken
Ze geven het direct terug aan de overheid
Ze vernietigen het na een tijdje

Slide 30 - Drag question

Termijntransformatie 
  • Spaargeld op spaarrekening
  • Leningen verstrekken 
  • kortlopend spaargeld --> langlopende leningen
  • risico

Slide 31 - Slide

Hoe verdienen banken vooral geld?
A
Door geld uit te lenen tegen een hogere rente dan ze betalen
B
Door geld gratis weg te geven
C
Door meer bankkantoren te openen
D
Door zo min mogelijk klanten te hebben

Slide 32 - Quiz

Risicotransformatie
  • risico's spreiden 
  • verschillende leningen verstrekken
  • groter risico voor de spaarder dan voor de bank 

Slide 33 - Slide

Wat is een risico van termijntransformatie?
A
Iedereen kan altijd direct zijn geld opnemen
B
Banken kunnen failliet gaan als te veel mensen hun geld tegelijk opnemen
C
De rente gaat omlaag
D
Mensen mogen geen leningen meer afsluiten

Slide 34 - Quiz

Bedragstransformatie
  • Spaargoederen omzetten in  grote leningen

Slide 35 - Slide

conclusie/ samenvatting
Transformatie in de monetaire wereld helpt banken om geldstromen in balans te houden. Dit gebeurt op drie manieren:
• Renteransformatie → Banken verdienen aan het renteverschil tussen sparen en lenen.
• Looptijdtransformatie → Kort spaargeld wordt gebruikt voor lange leningen.
• Risicotransformatie → Banken spreiden risico’s door aan veel klanten te lenen.
Maar transformatie brengt ook risico’s met zich mee. Als iedereen tegelijk zijn geld wil opnemen of als te veel mensen hun leningen niet terugbetalen, kunnen banken in de problemen komen.

Slide 36 - Slide

Waarom is transformatie belangrijk voor de economie?
A
Banken kunnen zo geld blijven uitlenen en de economie draaiende houden
B
Dan kunnen banken gratis geld uitdelen
C
Zonder transformatie kunnen banken geen geld verdienen
D
De overheid kan dan meer belasting vragen

Slide 37 - Quiz