This lesson contains 46 slides, with interactive quiz and text slides.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
Leave everything in your bag!
Slide 1 - Slide
Het toilet gebruik je voor of na de les
Borstels, make-up en luchtjes blijven in de tas
Tijdens de les ben je alleen bezig met Engels
Je blijft van de spullen van een ander af
Laat anderen met rust
Hou het lokaal netjes
Laat alles in je tas todat de docent het zegt
Classroom Rules
Slide 2 - Slide
Slide 3 - Slide
Taking the register
Learning goals
What do you need?
Homework check
Grammar recap
Let's get to work
Exit ticket
Game time
Slide 4 - Slide
Slide 5 - Slide
Sociale en culturele vaardigheden: Je kunt met een open en positieve houding naar anderen kijken en hebt respect voor verschillen.
A2.1: Je kunt over het algemeen heldere, tot jou gerichte gesproken standaardtaal begrijpen over vertrouwde zaken, mits je af en toe om herhaling of herformulering kunt vragen (luisteren).
B1.4: Je kunt gedetailleerde aanwijzingen volgen (luisteren).
B1.5: Je kunt de hoofdpunten vatten van televisieprogramma's over vertrouwde onderwerpen wanneer deze betrekkelijk langzaam en helder worden gepresenteerd (kijken).
Slide 6 - Slide
iPad
Workbook
B
Notebook
Pen + pencil
Earphones
Slide 7 - Slide
M3F
14 maart: can vs. be able to/vocabulary 4.2
20 maart: comparisons (1/2) / phrases writing
21 maart: comparisons (2/2) / vocabulary 4.3
27 maart: will vs. be going to /vocabulary 4.4
28 maart:geen les
3 april: who <> which / phrases speaking
4 april:proeftoets
10 april:
Slide 8 - Slide
passive
Slide 9 - Slide
Je gebruikt de 'passive' om aan te geven WAT er gebeurt
Het gaat er NIET om wie het doet
to be + voltooid deelwoord
w.w.+ed
3e rijtje
passive
lijdende vorm
Active: Mister Sebel plays badminton.
Passive: Badminton is played by Mister Sebel.
Slide 10 - Slide
can / be able to
Slide 11 - Slide
Om aan te geven dat je iets kunt
Om aan te geven dat je ergens toe in staat bent te doen
can + hele werkwoord
to be + able to + hele werkwoord
can vs. be able to
kunnen
in staat zijn
vaardigheden of mogelijkheden
alleen gebruikt in de tegenwoordige tijd
I can ride a bike.
She can't swim.
vaardigheden of mogelijkheden
gebruikt in alle andere tijden
We were able to win the race yesterday
He isn't able to do his homework tonight.
Slide 12 - Slide
comparisons (1/2)
Slide 13 - Slide
Om twee of meer mensen/dieren/dingen met elkaar te vergelijken
comparisons (1/2)
vergelijkingen
Engelse vergelijkingen hebben twee vormen
Welke vorm je gebruikt, hangt af van de lengte van het 'vergelijkingswoord'
Woorden met één lettergreep:
...+er than / the ...+est
big
bigger than
the biggest
cool
cooler than
thecoolest
Woorden met drie of meer lettergrepen:
more ... than / the most ...
beautiful
more beautiful than
the most beautiful
amazing
more amazing than
the most amazing
Woorden met twee lettergrepen behandelen we volgende les
Slide 14 - Slide
comparisons (uitzonderingen)
vergelijkingen
good - better than - the best
bad - worse than - the worst
many - more than - the most
little (weinig) - less than - the least
Slide 15 - Slide
comparisons (2/2)
Slide 16 - Slide
comparisons (2/2)
vergelijkingen
Bij woorden met twee lettergrepen draait het om de laatste letters van het woord
LEEROWYSOME-woorden:
+er / +est
LEEROWYSOME-woorden zijn woorden die eindigen op:
le > simple - simpler - simplest
er > clever - cleverer - cleverest
ow > narrow - narrower - narrowest
y > happy - happier - happiest
some > handsome - handsomer - handsomest
Overige woorden:
more / most
boring - more boring - most boring
helpful - more helpful - most helpful
quiet - more quiet - most quiet
perfect - more perfect - most perfect
etc.
Uitzonderingen:
good - better - best
bad - worse - worst
many - more - most
little (weinig) - less - least
iets is gelijk: as ... as
iets is niet gelijk: not as ... as
Slide 17 - Slide
Slide 18 - Slide
comparisons (2/2)
vergelijkingen
Bij woorden met twee lettergrepen draait het om de laatste letters van het woord
LEEROWYSOME-woorden:
+er / +est
LEEROWYSOME-woorden zijn woorden die eindigen op:
le > simple - simpler - simplest
er > clever - cleverer - cleverest
ow > narrow - narrower - narrowest
y > happy - happier - happiest
some > handsome - handsomer - handsomest
Overige woorden:
more / most
boring - more boring - most boring
helpful - more helpful - most helpful
quiet - more quiet - most quiet
perfect - more perfect - most perfect
etc.
Uitzonderingen:
good - better - best
bad - worse - worst
many - more - most
little (weinig) - less - least
iets is gelijk: as ... as
iets is niet gelijk: not as ... as
Slide 19 - Slide
more difficult than
more colourful than
the highest
the tallest
more expensive than
the best
more complex than
easier
the worst
the most delicious
comparisons
Slide 20 - Slide
vocabulary 4.4
Slide 21 - Slide
Slide 22 - Slide
Slide 23 - Slide
Study: vocab 4.4 / comparisons
Do: Exercise 44, 45+48,page 43+47+48,workbook B
Exercise 48:
Explain your answer
één lettergreep
twee lettergrepen (leerowysome of niet)
drie lettergrepen
uitzondering
één lettergreep twee lettergrepen > (leerowysome of niet) drie lettergrepen uitzondering
Exercise 44:
Explain why!
Slide 24 - Slide
Slide 25 - Slide
Exercise44, page 43
Terrific: The others are negative.
Discussion: Not related to marketing.
Never: Others indicate some occurrence.
Worse: Not related to persuasion or advertising.
Figure: Not a number.
Cold: Not a characteristic specific to drinks.
Love: The others are negative.
Slide 26 - Slide
Exercise45, page 43
achtervolgen > chase
vol > full
koelkast > fridge
overhalen > persuade
ook > too
beïnvloeden > influence
elke, iedere > every
fantastisch > terrific
adverteren > advertise
knipperende > flashing
bevatten > contain
slechter > worse
Slide 27 - Slide
Exercise48, page 47+48
(the) craziest (twee lettergrepen + y)
better (than)(uitzondering)
sweeter (than) (één lettergreep)
not as healthy as (≠)
(the) most disgusting (drie lettergrepen)
more expensive (than) (drie lettergrepen)
more creative (than) (drie lettergrepen)
most modern (>>) (twee lettergrepen - géén leerowysome)