Werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd

Werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd
1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsSpeciaal OnderwijsLeerroute 4

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

Werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd

Slide 1 - Slide

Welk werkwoord staat in de tegenwoordige tijd?
A
liep
B
loop
C
las
D
ging

Slide 2 - Quiz

Welk werkwoord staat in de tegenwoordige tijd?
A
ging
B
gingen
C
gaat
D
gingde

Slide 3 - Quiz

Welk werkwoord staat in de tegenwoordige tijd?
A
fiets
B
fietste
C
fietsten
D
fietsde

Slide 4 - Quiz

Welk werkwoord staat in de tegenwoordige tijd?
A
at
B
eette
C
aten
D
eten

Slide 5 - Quiz

Tegenwoordige tijd
De tegenwoordige tijd geeft aan dat iets nu gebeurt. Veel werkwoorden in de tegenwoordige tijd eindigen op en

Slide 6 - Slide

Doel van deze les
Aan het eind van deze les weet je hoe je een werkwoord in de tegenwoordige tijd moet vervoegen.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Video

Slide 9 - Slide

In welke zin staat het werkwoord goed in de tegenwoordige tijd?
A
De man looptte in het park.
B
De man liep in het park.
C
De man loopt in het park.
D
De man loop in het park.

Slide 10 - Quiz

Waarom moet je een werkwoord goed kunnen vervoegen in de tegenwoordige tijd?

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Video

Slide 13 - Video

Voorbeelden
De man (fietsen) door het park.
Fietsen is het werkwoord
De man is hij
Werkwoord - en is fiets
Fiets is stam
Hij is stam + t
DUS: De man fietst door het park.

Slide 14 - Slide

Nog een voorbeeld
De leraar (rekenen) de som uit op het bord.
Rekenen is het werkwoord
De leraar is hij
Werkwoord -en is reken
reken is stam
hij is stam + t
DUS: 

Slide 15 - Slide

Werkwoord vervoegen tegenwoordige tijd voorbeelden

Slide 16 - Open question