1. Present Simple: rooster, agenda -> The train leaves at 6 pm.
2. Going to: afspraken in de toekomst waarvan de tijd/plaats al vaststaat. -> I am meeting my sister tomorrow.
3. To be going to: iets van plan is, een voorspelling doen waarvoor je bewijs hebt. -> I am going to fly to
4. Will/shall: om iets aan te bieden, bij beloftes, spontaan beslissengen
- voorspellingen doen waarvoor je geen bewijs hebt.