les 6

Voorlezen 
blz. 193
1 / 28
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Voorlezen 
blz. 193

Slide 1 - Slide

Herhaling zinsdelen

Slide 2 - Slide

Wat is een zin?
A
Woorden op een rijtje.
B
Een zin bestaat uit woorden die samen iets vertellen.
C
Een zin vertelt je niks.
D
Een zin maakt een verhaal.

Slide 3 - Quiz

Kun je de woorden in de zin zomaar door elkaar husselen?
A
Ja
B
Nee

Slide 4 - Quiz

Wat is een zinsdeel?
A
Stukje uit een zin.
B
Woorden die los staan.
C
Stukje van een zin.
D
Losse woorden.

Slide 5 - Quiz

timer
1:00
Probeer zoveel mogelijk nieuwe zinnen te maken van:
“De man loopt op straat""

Slide 6 - Mind map

Mogelijkheden:
De man loopt op straat

Loopt de man op straat?
Op straat loopt de man.

Slide 7 - Slide

timer
1:00
Probeer zoveel mogelijk nieuwe zinnen te maken van: De vrouw leest een boek

Slide 8 - Mind map

Mogelijkheden
De vrouw leest een boek



Leest de vrouw een boek?
Een boek leest de vrouw.

Slide 9 - Slide

Zinsdelen
  • Een zinsdeel kan bestaan uit één woord, maar ook uit een paar woorden die bij elkaar horen.
  • De woorden in een zinsdeel kunnen niet uit elkaar gehaald worden.

    Voorbeeld:
    Jan | heeft | vorige week | een film | gekeken.

Slide 10 - Slide

Zinsdelen
Een zin | bestaat | uit zinsdelen.
Kijk welk deel voor de persoonsvorm kan.
Dit deel is dan een zinsdeel.

Voorbeeld: 
De timmerman | had | zijn gereedschap | laten | liggen.


Slide 11 - Slide


Uit hoeveel zinsdelen bestaat deze zin:
Hij leest vanochtend de krant van gisteren.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 12 - Quiz


Uit hoeveel zinsdelen bestaat deze zin:
Slaapt die lieve opa Jan?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 13 - Quiz


Uit hoeveel zinsdelen bestaat deze zin:
Het oude nieuws boeit hem toch.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 14 - Quiz

Koen en Mo zijn buiten aan het voetballen. Persoonsvorm en onderwerp?

Slide 15 - Open question

Rachid is bij gym op zijn hoofd gevallen. Persoonsvorm en onderwerp?

Slide 16 - Open question

Wat is de PV van deze zin?
De leerlingen hebben het raadsel opgelost.
A
De leerlingen
B
hebben
C
Het raadsel
D
hebben opgelost

Slide 17 - Quiz

Wat is het OW van deze zin?
De leerlingen hebben het raadsel opgelost.
A
De leerlingen
B
hebben
C
Het raadsel
D
hebben opgelost

Slide 18 - Quiz

Wat is het GEZ van deze zin?
De leerlingen hebben het raadsel opgelost.
A
De leerlingen
B
hebben
C
Het raadsel
D
hebben opgelost

Slide 19 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord in deze zin?
De gezellige quiz ging erg goed.
A
De
B
gezellige
C
quiz
D
ging

Slide 20 - Quiz

Wat is het werkwoord in deze zin?
De gezellige quiz ging erg goed.
A
De
B
gezellige
C
quiz
D
ging

Slide 21 - Quiz

Wat is het zelfstandig naamwoord in deze zin?
De gezellige quiz ging erg goed.
A
De
B
gezellige
C
quiz
D
ging

Slide 22 - Quiz

Wat is het lidwoord in deze zin?
De gezellige quiz ging erg goed.
A
De
B
gezellige
C
quiz
D
ging goed

Slide 23 - Quiz

Welk zinsdeel zoek je met de vraag 'Wie + gezegde'?
A
Persoonsvorm
B
Gezegde
C
Onderwerp
D
Lijdend voorwerp

Slide 24 - Quiz

Welk zinsdeel zoek je door de zin vragend te maken?
A
Persoonsvorm
B
Gezegde
C
Onderwerp
D
Lijdend voorwerp

Slide 25 - Quiz

Welk zinsdeel benoem je door alle werkwoorden te zoeken?
A
Persoonsvorm
B
Gezegde
C
Onderwerp
D
Lijdend voorwerp

Slide 26 - Quiz

Welk zinsdeel zoek je met de vraag 'Wie/wat + ow + gez'?
A
Persoonsvorm
B
Gezegde
C
Onderwerp
D
Lijdend voorwerp

Slide 27 - Quiz

Aan de slag!
Maak je tijdschrift af.
  • voorkant
  •  inhoud
  • 5 pagina's ( inclusief interview) 
  • eventueel een achterkant

Je hebt hierna nog 2 lessen om je tijdschrift af te maken. 

Slide 28 - Slide