V2 - K7 Paragraf B: Wortschatz v2B&C ii 2425

V2 - Woche 13 - Stunde 2
1 / 21
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

V2 - Woche 13 - Stunde 2

Slide 1 - Slide

timer
3:00

Slide 2 - Slide

Aan het begin van de les

1.Leg op de hoek van je tafel: 
  • Duits boek, (Neue Kontakte vwo 1-2 B) 
  • pen


2. Absentie controle

Slide 3 - Slide

K7 B: Wortschatz wohnen
Lernziel
Je leert nieuwe woorden en verbreedt je (actieve) woordenschat bij het thema 'wohnen'.
Was
K7 B Aufgabe 4,5, 6, 8, 9, 11, 12
Wie
Gemeinsam: Lernliste B (S.60) besprechen und Vokabeln nachsprechen (Aussprache)
Selbstständig: machen Aufgabe 4,5, 6, 8, 9, 11, 12 (S.32)
Hilfsmittel
K7 Lernliste B (S.60)

Slide 4 - Slide

Antworte Aufg. 4 +5

Slide 5 - Slide

Grammatik: Personalpronomen 4e naamval
  • wiederholen: persoonlijk voornaamwoord 1e naamval & verschil pers. vnw en bezitterlijke vnw.                                                                                                               (5 Min)

  • uitleg: persoonlijk voornaamwoord 4e nv met voorzetsels [2x filmpjes]        (20 Min.)

  • Selbstständig machen = Aufgabe 6, 8 und 9 fertigmachen  (S.32-34)           (15 Min.)

  • Fertig = Wortschatz lernen 
     (1) Lernen Lernliste A: Sehen--> DU-NL
     (2) Lernen Lernliste C: Hören --> DU-NL
     (2) Lernen Lernliste K7 B  --> NL-DU   (der Balkon t/m die Möbel) 

Lernziele:
Je kunt veelvoorkomende woorden rondom het thema 'wohnen' actief gebruiken.
Je kent het persoonlijk en vragend voornaamwoord in de vierde naamval.
Planung

Slide 6 - Slide

Sleep het juiste Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het Nederlandse persoonlijk voornaamwoord
ik
jij
hij
zij e.v.
wij
jullie
het
u
zij
ich
ihr
er
es
wir
du
sie e.v
Sie
sie

Slide 7 - Drag question

persoonlijk of bezittelijk?
persoonlijk voornaamwoord: ich, du, er/sie/es, wir, ihr, sie Sie
  • verwijst naar een persoon / personen
  • vervangt een zelfstandig naamwoord

bezittelijk voornaamwoord: mein, dein, sein, ihr, unser, euer, ihr, Ihr
  • geeft aan dat iets van iemand is/bij iemand hoort
  • kan een de uitgang 'e' komen bij vrouwelijke en meervoud woorden (die)

Slide 8 - Slide

persoonlijk of bezittelijk

Weißt du wo meine Brille ist? Ich kann sie nicht finden.

Hast du deinen Stift mitgebracht? 

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Link

Welches Bett ist für mich?                        - Welk bed is voor mij?               
Ich habe ein Poster für dich gekauft.     - Ik heb een poster voor jou gekocht. 
Hast du eine Lampe für ihn?                    - Heb je een lamp voor hem
Hier ist ein Stuhl für sie.                              - Hier is een stoel voor haar. 
Haben Sie eine Wohnung für uns?         - Heeft een een woning voor ons?
Ich habe die Möbel für euch bezahlt.     - Ik heb de meubels voor jullie betaald. 
Hier sind noch Stühle für sie.                    - Hier zijn nog stoelen voor jullie. 
Was kann ich für Sie tun?                          - Wat kan ik voor u doen? 
Für wen hast du das mitgebracht?        - Voor wie heb je dat meegenomen?
De vormen mich, dich enzovoort zijn de vormen van het persoonlijk voornaamwoord in de vierde naamval. Na für en een aantal andere voorzetsels staat het persoonlijk voornaamwoord in de vierde naamval.
In het Nederlands kennen we deze verandering van het persoonlijk voornaamwoord ook. 

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Link

Das Geschenk ist für (mij) .....
A
ich
B
mich

Slide 13 - Quiz

Durch (hem) ..... habe ich vergessen.
A
ihn
B
er

Slide 14 - Quiz

1) Sie hat (zonder hem) gesungen.
    ohne (+4 ) ihn

2) Erik hat sich (tegen mij) gestoßen.
    gegen (+4 ) mich

3) (Om ons) brauchst du dich keine Sorgen zu machen.
     um (+4) uns

4) (Voor wie) ist der Spiegel?
     für (+4) wen

Slide 15 - Slide

Ohne (jou) ..... kann ich nicht leben!
A
du
B
dich

Slide 16 - Quiz

Durch (hem) ..... habe ich vergessen.
A
ihn
B
er

Slide 17 - Quiz

Ich habe das für .... (jullie) gemacht.
A
uns
B
ihr
C
euch
D
sie

Slide 18 - Quiz

Alles dreht um .... (mij).
A
mir
B
me
C
ich
D
mich

Slide 19 - Quiz

Warum machst du dich Sorgen um (hij)?
A
er
B
ihm
C
ihn
D
ihnen

Slide 20 - Quiz

nächste Stunde

      • Hausaufgaben: K7 Aufg. 6, 8 und 9 fertig 
             machen
      • Thema: wohnen (K7): K7 B Wortschatz 11, 12 und
             E Grammatik 20, 21
      Blijf op je plek tot de docent aangeeft dat het lesuur voorbij is. 
      Schuif je stoel aan en laat het lokaal netjes achter. Danke! 

      Slide 21 - Slide