Toets hoofdstuk 5 Licht

Toets hoofdstuk 5 Licht
In de volgende slides ga je vragen beantwoorden
Je hebt hiervoor 45 minuten
Je mag gebruik maken van papier, pen en potlood 
Bij het tekenen gebruik je een geodriehoek
Bij het rekenen mag je een rekenmachine gebruiken
Je hebt voor deze toets geen binas nodig
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Toets hoofdstuk 5 Licht
In de volgende slides ga je vragen beantwoorden
Je hebt hiervoor 45 minuten
Je mag gebruik maken van papier, pen en potlood 
Bij het tekenen gebruik je een geodriehoek
Bij het rekenen mag je een rekenmachine gebruiken
Je hebt voor deze toets geen binas nodig

Slide 1 - Slide

1. Welke twee beweringen over lichtbronnen zijn waar? (3p)
A
De zon is een directe lichtbron.
B
Een directe lichtbron weerkaatst het licht naar je ogen.
C
Een indirecte lichtbron geeft zelf geen licht.
D
Een indirecte lichtbron kun je zien in het donker.

Slide 2 - Quiz

2. Een lichtstraal valt op een spiegel en wordt weerkaatst.
Welke hoek in figuur 1 is de hoek van inval?
(3p)
A
Hoek 1
B
Hoek 2
C
Hoek 3
D
Hoek 4

Slide 3 - Quiz

3. Hoog in de bergen heb je meer kans om rood te worden door de zon. (3p)
Dat komt doordat:
A
daar meer uv-straling komt.
B
daar meer ir-straling komt.
C
je daar dichter bij de zon bent.
D
de lucht er schoner is.

Slide 4 - Quiz

4. Welke bewering over spectraalkleuren is waar? (3p)
Een spectraalkleur:
A
kan door een prisma in twee kleuren worden gesplitst.
B
kan door een prisma niet worden gesplitst.
C
kan door een prisma worden omgezet in wit licht.

Slide 5 - Quiz

5. Wat is een bolle lens? (3p)
A
een negatieve lens die in het midden dikker is dan aan de rand
B
een negatieve lens die in het midden dunner is dan aan de rand
C
een positieve lens die in het midden dikker is dan aan de rand
D
een positieve lens die in het midden dunner is dan aan de rand

Slide 6 - Quiz

6. In figuur 2 zie je hoe een reëel beeld is gemaakt met een positieve lens.
Welke twee lichtstralen gebruik je als constructiestralen? (3p)
A
Lichtstraal 1
B
Lichtstraal 2
C
Lichtstraal 3
D
Lichtstraal 4

Slide 7 - Quiz

7. Je schijnt met een zaklamp op een negatieve lens.
Wat is het brandpunt van die negatieve lens? (3p)
A
Het punt waar de lichtstralen na breking bij elkaar komen.
B
Het punt waar de lichtstralen vandaan komen.
C
Het punt waar de lichtstralen vandaan lijken te komen.

Slide 8 - Quiz

8. Welke bewering over de pupil in je oog is waar? (3p)
A
De pupil laat overdag veel licht door.
B
De pupil laat ’s nachts weinig licht door.
C
De pupil is een opening in de iris.
D
De pupil is een opening in je oog.

Slide 9 - Quiz

9. Je zit op het strand en eet een ijsje. Je kijkt naar een schip in de verte. Wat gebeurt er als je vervolgens naar het ijsje kijkt? (3p)
A
Je ooglenzen worden dan boller om het licht meer te breken.
B
Je ooglenzen worden dan boller om het licht minder te breken.
C
Je ooglenzen worden dan platter om het licht meer te breken.
D
Je ooglenzen worden dan platter om het licht minder te breken.

Slide 10 - Quiz

10. Welke twee beweringen zijn waar? (3p). Iemand die bijziend is:

A
heeft een bril met negatieve glazen nodig.
B
heeft een bril met positieve glazen nodig.
C
ziet voorwerpen dichtbij scherp.
D
ziet voorwerpen veraf scherp.

Slide 11 - Quiz

Vraag met uitwerkbijlage
  1.   Anthony loopt langs een muurtje. Achter het muurtje ligt een hond te luieren (figuur 3).

11a. Laat in de figuur op de uitwerkbijlage zien hoeveel Anthony van de hond achter het muurtje kan zien. (2p)
 
11b. Teken hoe hoog het muurtje moet worden zodat Anthony de hond helemaal niet meer kan zien. (2p)

Slide 12 - Slide

12. Mounir rijdt in het donker op zijn fiets en draagt een hesje met reflecterende strepen. De fietsverlichting is aan. Een auto die Mounir tegemoetkomt ziet helder gele strepen en een wit voorlicht.
12a. Is Mounir in zijn hesje een directe lichtbron?
Leg je antwoord uit. (2p)

Slide 13 - Open question

12. Mounir rijdt in het donker op zijn fiets en draagt een hesje met reflecterende strepen. De fietsverlichting is aan. Een auto die Mounir tegemoetkomt ziet helder gele strepen en een wit voorlicht.
12b. Is de fietsverlichting een directe lichtbron?
Leg je antwoord uit. (2p)

Slide 14 - Open question

Vraag 13.

Slide 15 - Slide

Er zijn twee manieren waarop voorwerpen het licht kunnen weerkaatsen. Een van die manieren zie je in figuur 4.
13a. Welk soort terugkaatsing is getekend in figuur 4? (1p)

Slide 16 - Open question

Vraag met uitwerkbijlage
Er zijn twee manieren waarop voorwerpen het licht kunnen weerkaatsen. Een van die manieren zie je in figuur 4.
13b. Teken op de uitwerkbijlage de andere manier van terugkaatsing.
(3p) 

Slide 17 - Slide

13c. Hoe heet de manier van terugkaatsing die je getekend hebt? (1p)
13d Leg uit wat het verschil is tussen de twee vormen van terugkaatsing.
(3p)

Slide 18 - Open question

Vraag met uitwerkbijlage
14. Een lichtstraal valt op een spiegel. Zie figuur 5. Deze figuur staat ook op de uitwerkbijlage.

14a. Teken in de figuur op de bijlage de normaal als een stippellijn. (1p)

14b. Teken de teruggekaatste lichtstraal. (2p)

14c. Geef in je tekening duidelijk aan welke hoek de hoek van terugkaatsing is. (1p)

Slide 19 - Slide

Vervolg vraag 14.
14c. Hoe groot is de hoek van inval? (1p)
14e. Hoe groot is de hoek van terugkaatsing? (1p)

Slide 20 - Open question

Vraag met uitwerkbijlage
15. In figuur 6 zie je een schematische tekening van een spiegel en twee mensen die in de spiegel naar elkaar kijken. De figuur staat ook op de uitwerkbijlage.
Teken op de uitwerkbijlage hoe de lichtstralen lopen als de beide mensen elkaar in de ogen kijken.

Slide 21 - Slide

16. Een Belgische vlag (zwart-geel-rood) wordt beschenen met verschillende kleuren licht.
16a. Welke kleuren zie je als deze vlag wordt beschenen met zuiver rood licht, met zuiver blauw licht en met zuiver geel licht? Vul het schema op de uitwerkbijlage in. (3p)

Slide 22 - Open question

16. Een Belgische vlag (zwart-geel-rood) wordt beschenen met verschillende kleuren licht.
16b. Leg voor elke kleur van de vlag uit waardoor je hem bij de verschillende kleuren licht op die manier ziet. (3p)

Slide 23 - Open question

17. Behalve wit licht bevat zonnestraling nog andere soorten straling.
17a. Welk soort straling voel je als warmtestraling? (1p)
17b. Noteer drie toepassingen van warmtestraling. (2p)

Slide 24 - Open question

Vraag met uitwerkbijlage
18. In figuur 7 zie je een bundel licht die door een lens gaat. De figuur staat ook op de uitwerkbijlage.

18a. Geef in de figuur op de uitwerkbijlage aan wat de hoofdas is. (1p)

18b. Zet de letter F bij het brandpunt. (1p)

Slide 25 - Slide

Vervolg vraag 18.
18c. Is deze lens positief of negatief?
Leg je antwoord uit. (2p)

Slide 26 - Open question

Einde van de toets
Op de uitwerkbijlage staan nog meer vragen. 
Die hoef je niet te maken.

Slide 27 - Slide