38 + 39. Hoofdstuk 4 + kahoots

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Werkwoordspelling: de drie stappen in vogelvlucht
2.  Hoofdstuk 4: herhaling theorie signaalwoorden
3.   Hoofdstuk 4: verwijswoorden

LESDOELEN
Je weet dat een signaalwoord voorafgegaan wordt door een komma; je (her)kent de signalen; je weet met welk verwijswoord je moet verwijzen; je weet wat een ingesloten lidwoord is en gebruikt die standaard. 

1 / 35
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Werkwoordspelling: de drie stappen in vogelvlucht
2.  Hoofdstuk 4: herhaling theorie signaalwoorden
3.   Hoofdstuk 4: verwijswoorden

LESDOELEN
Je weet dat een signaalwoord voorafgegaan wordt door een komma; je (her)kent de signalen; je weet met welk verwijswoord je moet verwijzen; je weet wat een ingesloten lidwoord is en gebruikt die standaard. 

Slide 1 - Slide

Wat onder werkwoordspelling valt: zwak ww
persoonsvorm tegenwoordige tijd:   nu pluk ik 
persoonsvorm verleden tijd:                   vroeger plukten zij
voltooid deelwoord:                                  hij heeft daar geplukt
gebiedende wijs:                                       pluk ze!
bijvoeglijk naamwoord:                           de plukkende student

Slide 2 - Slide

Wat onder werkwoordspelling valt: sterkkkkk ww
persoonsvorm tegenwoordige tijd:   nu kijk ik 
persoonsvorm verleden tijd:                   vroeger keken zij
voltooid deelwoord:                                  hij heeft daar gekeken
gebiedende wijs:                                       kijk daar!
bijvoeglijk naamwoord:                           de kijkende student

Slide 3 - Slide

ONTHOUDEN
(stap 1) Je zet de zin in een andere tijd om de pv te vinden. 
'Hij weet het beterwordt:  

(stap 2) Je zoekt het hele werkwoord, het infinitief, van de pv.
'Hij weet het beter' →  

(stap 3) Je haalt -en van het hele werkwoord van de pv af. Nu heb je de stam van het werkwoord. 






Slide 4 - Slide

HET NEDERLANDS IS GEBASEERD OP KLANKEN
►Hoe klinkt het hele werkwoord? De stam klinkt dan anders.
Dat hoor je terug in de ik-vorm. 
De ik-vorm van leren is: 

► harde klanken ook, als typisch Nederlands: zo wordt 
een zachte z een harde s en een zachte v een harde f.  
De ik-vorm van (iemand ergens) inluizen is: 





Slide 5 - Slide

HET NEDERLANDS IS GEBASEERD OP KLANKEN
Hierbij klinkt de stam hetzelfde als het hele werkwoord: 

Loeren - de stam 'loer' is hetzelfde als de ik-vorm loer.
Worden - de stam 'word' is hetzelfde als de ik-vorm word.
Vinden - de stam 'vind' is hetzelfde als de ik-vorm vind.
Branden - de stam 'brand' is hetzelfde als de ik-vorm brand





Slide 6 - Slide

de regels van de tegenwoordige tijd
Alle werkwoorden zijn of sterk (middeleeuws) of zwak. Voor ALLE werkwoorden gelden de volgende regels in de tegenwoordige tijd:

Het onderwerp is 'ik'. ► Dan krijgt de pv de ik-vorm.
Ik werk bij de Boni

Het onderwerp is enkelvoud, maar geen 'ik'. ► Dan krijgt de pv de ik-vorm + t
Hij werkt er ook. 

Het onderwerp staat in het meervoud ► dan krijgt de pv het hele werkwoord
Jullie werken allemaal bij de Boni. 

Slide 7 - Slide

REGELS!
Alle werkwoorden zijn of sterk (middeleeuws) of zwak. Voor ALLE werkwoorden geldt dezelfde regel in de tegenwoordige tijd

Handig: ik wil geen t(hee), jij wilt t(hee). 

Het gebeur... schrijf je dat met een t of een d? 



Slide 8 - Slide

NOG MEER REGELS!
►Het verschil tussen beide werkwoorden zie je alleen in de vt. 
- Elk sterk werkwoord heeft iets eigens in de verleden tijd.  
At, keek, sliep, stond, enz. Die moet je uit je hoofd kennen. 
- Elk zwak werkwoord heeft zich aan dezelfde regel te houden. Hij luisterte of hij luisterde? Ik dan? Wij dan? 
Zij werkte of zij werkde? Jij dan? Jullie dan? 

Kan jij dé regel voor de zwakke werkwoorden in de vt bedenken? 

Slide 9 - Slide

[tt] De piano van de buurman (smergelen)

Slide 10 - Open question

[tt] Hij (klirren) als een malle.

Slide 11 - Open question

[tt] Ik (plurken) me ongans.

Slide 12 - Open question

[vt] Ik (eten) nog ff door.

Slide 13 - Open question

[vt] Jij (slapen) nog ff door.

Slide 14 - Open question

Terug naar hoofdstuk 4
1.  Nieuwe theorie over verwijswoorden
2.  LessonUp-quiz
3.  Herhaling theorie samenhang
4.  Een Kahoot (of drie) over signaalwoorden
5.   De opgaven die je moet maken voor de toets

Slide 15 - Slide

1. VERWIJSWOORDEN
We gaan oefenen met verwijswoorden (quiz in LessonUp) en je krijgt meteen ook theorie. 

Slide 16 - Slide

2. Verwijswoorden gebruik je in een tekst, omdat...
A
verwijswoorden handig zijn om te gebruiken
B
het lezen hierdoor gemakkelijker wordt
C
de schrijver niet steeds hetzelfde woord wil gebruiken
D
de schrijver een luie beer is

Slide 17 - Quiz

De studenten gaan hard aan het werk. Ze hebben geleerd hoe ze verwijswoorden kunnen herkennen en toepassen in een zin.

Waar verwijst “ze” naar?
A
De studenten
B
Hard
C
Werk
D
Verwijswoorden

Slide 18 - Quiz

VERWIJSWOORDEN

  •  Met dit en deze verwijs je naar iemand of iets dichtbij.
Dit hier; deze twee hier

  • met dat en die verwijs je naar iemand of iets ver weg.
Dat daar; die drie daar

Slide 19 - Slide

Dit huis is van mij en dat is jouw huis.

Wat zijn verwijswoorden in deze zin?
A
Dit
B
Dit, dat huis
C
Dit, dat
D
Dat

Slide 20 - Quiz

WAAR VERWIJS JE NAAR? 
Het geld dat wij hebben verdiend.
De jongen die een jongere broer heeft.
De plannen die Henk had gemaakt.
Het zusje dat we zagen. 

Kijk naar het ingesloten lidwoord van het zelfstandige naamwoord waar je naar verwijst. Kortom, herhaal het zelfst.nw en je weet of het een de- of het-woord is. 

Slide 21 - Slide

INGESLOTEN LIDWOORD
Het-woorden (enkelvoud)         De-woorden (enkelvoud of                krijgen:                                            meervoud) krijgen: 
Dat                                             Die

Slide 22 - Slide

Welke verwijswoorden gebruik je bij het-woorden? (Twee opties)
A
dit
B
deze
C
die
D
dat

Slide 23 - Quiz

Welke verwijswoorden gebruik je voor 'het zusje'?
A
deze, die
B
deze, dat
C
dit, dat
D
die, dit

Slide 24 - Quiz

Welke verwijswoorden gebruik je voor 'de tafel'?
A
deze, die
B
deze, dat
C
dit, dat
D
die, dit

Slide 25 - Quiz

Wat is goed?
A
Dit tasje
B
Deze tasje

Slide 26 - Quiz

3. TEKSTVERBANDEN

Er zijn verschillende tekstverbanden met eigen signaalwoorden. Weet je nog? 

  • de tegenstelling [ maar, hoewel, daarentegen ]  
  • de opsomming [ bovendien, ten eerste, ten tweede, ook, eerst...toen ] 
  • de toelichting [ zo, bijvoorbeeld, zoals, op deze manier ] 
  • de tijd en de volgorde daarin [ gisteren, vervolgens, vroeger, nu, toen, daarna ]  
                     

Slide 27 - Slide

TEKSTVERBANDEN
  • de voorwaarde [ als, indien, in het geval dat ]  
  • de reden vanuit mijzelf [ want, omdat, daarom, daardoor ]
  • de reden vanuit iets of iemand anders [ doordat, dankzij, als gevolg van, dat komt door, waardoor, zodat ]
  • de conclusie [ dus, concluderend, kortom, dat houdt in ]
  • het doel-middel of middel-doel [ om te, opdat, door middel van, daarmee, met de bedoeling ]
                     

Slide 28 - Slide

4. OEFENEN

Op de volgende slide drie Kahoots over signaalwoorden

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Link

Slide 31 - Link

Slide 32 - Link

5. 3F Thema | Bouwstenen H4
Leesleer 4.1 en maak alle opdrachten. De eindopdracht hoef je niet te doen.
4.2 Lezen: alle opdrachten maken, behalve 3, 5, 6, 7, 10e, 12, 13b, 18, 19b, 21, 25, 27
4.3 Schrijven: alle opdrachten maken, behalve 7, 9b, 10, 11, 17, 18;
4.4 Luisteren: alle opdrachten maken, behalve 1, 3, 9d, 15, 17, 18, 21;
4.8 Samengevat: woordtrainer en lesstof (behalve: 'een samenhangende tekst schrijven'). Voor elke paragraaf geldt: inclusief de woordtrainer en lesstof.

Niet
Alles over de vaste tekststructuren. Ook Ik heb deze opdracht uitgevoerd mag je laten schieten. Wil je meer oefenen, dan is Versterk jezelf een goede optie.









Slide 33 - Slide

WANNEER IS DE TOETS?
Dit komt in Magister te staan. Reken op vrijdag 28 maart voor H4, mits je alle vereiste opdrachten afhebt. 

Slide 34 - Slide

EINDE VAN DE LES

Slide 35 - Slide