40 + 41 Hoofdstuk 4 hh

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Werkwoordspelling: de drie stappen in vogelvlucht
2.  Hoofdstuk 4: herhaling theorie signaalwoorden
3.   Hoofdstuk 4: herhaling theorie verwijswoorden

LESDOELEN
Je weet dat een signaalwoord voorafgegaan wordt door een komma; je (her)kent de signalen; je weet met welk verwijswoord je moet verwijzen; je weet wat een ingesloten lidwoord is en gebruikt die standaard. 

1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 1

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

PLANNING VAN DEZE LES
1.  Werkwoordspelling: de drie stappen in vogelvlucht
2.  Hoofdstuk 4: herhaling theorie signaalwoorden
3.   Hoofdstuk 4: herhaling theorie verwijswoorden

LESDOELEN
Je weet dat een signaalwoord voorafgegaan wordt door een komma; je (her)kent de signalen; je weet met welk verwijswoord je moet verwijzen; je weet wat een ingesloten lidwoord is en gebruikt die standaard. 

Slide 1 - Slide

Wat onder werkwoordspelling valt: zwak ww
persoonsvorm tegenwoordige tijd:   nu bel ik 
persoonsvorm verleden tijd:                   vroeger belden zij
voltooid deelwoord:                                  hij heeft me gebeld
gebiedende wijs:                                       bel ze!
bijvoeglijk naamwoord:                           de bellende student

Slide 2 - Slide

Wat onder werkwoordspelling valt: sterkkkkk ww
persoonsvorm tegenwoordige tijd:   nu lig ik 
persoonsvorm verleden tijd:                   vroeger lagen zij
voltooid deelwoord:                                  hij heeft daar gelegen
gebiedende wijs:                                       lig daar!
bijvoeglijk naamwoord:                           de liggende student

Slide 3 - Slide

ONTHOUDEN
(stap 1) Je zet de zin in een andere tijd om de pv te vinden. 
'Ik loop daarheenwordt:  

(stap 2) Je zoekt het hele werkwoord, het infinitief, van de pv.
'Ik loop daarheen' →  

(stap 3) Je haalt -en van het hele werkwoord van de pv af. Nu heb je de stam van het werkwoord. Wat is dat dan? 






Slide 4 - Slide

HET NEDERLANDS IS GEBASEERD OP KLANKEN
►Hoe klinkt het hele werkwoord? De stam klinkt dan anders.
Dat hoor je terug in de ik-vorm. 
De ik-vorm van ventileren is: 

► harde klanken ook, als typisch Nederlands: zo wordt 
een zachte z een harde s en een zachte v een harde f.  
De ik-vorm van fuiven is: 





Slide 5 - Slide

HET NEDERLANDS IS GEBASEERD OP KLANKEN
Hierbij klinkt de stam hetzelfde als het hele werkwoord: 

Smijten - de stam 'smijt' is hetzelfde als de ik-vorm smijt.
Worden - de stam 'word' is hetzelfde als de ik-vorm word.
Vinden - de stam 'vind' is hetzelfde als de ik-vorm vind.
Branden - de stam 'brand' is hetzelfde als de ik-vorm brand





Slide 6 - Slide

de regels van de tegenwoordige tijd
Alle werkwoorden zijn of sterk (middeleeuws) of zwak. Voor ALLE werkwoorden gelden de volgende regels in de tegenwoordige tijd:

Het onderwerp is 'ik'. ► Dan krijgt de pv de ik-vorm.
Ik loop de marathon 

Het onderwerp is enkelvoud, maar geen 'ik'. ► Dan krijgt de pv de ik-vorm + t
Hij loopt die ook. 

Het onderwerp staat in het meervoud ► dan krijgt de pv het hele werkwoord
Jullie lopen allemaal de marathon 

Slide 7 - Slide

REGELS!
Alle werkwoorden zijn of sterk (middeleeuws) of zwak. Voor ALLE werkwoorden geldt dezelfde regel in de tegenwoordige tijd

Handig: ik wil geen t(hee), jij wilt t(hee). 


'Ik word' schrijf je dat met een d of een dt? 



Slide 8 - Slide

NOG MEER REGELS! (in de verleden tijd)
►Het verschil tussen beide werkwoorden zie je alleen in de vt. 
- Elk sterk werkwoord heeft iets eigens in de verleden tijd.  
Lag, vond, werd, zag, enz. Die moet je uit je hoofd kennen. 

- Elk zwak werkwoord heeft zich aan dezelfde regel te houden in de verleden tijd. Maak het werkwoord langer: is het 'telefoneerde hij of is het 'telefoneerte hij'? En zie je een overeenkomst met 'hij heeft getelefoneerd'?


Slide 9 - Slide

[tt] De hond van de buren (splenen)

Slide 10 - Open question

[tt] Hij (saleven) als geen ander.

Slide 11 - Open question

[tt] Ik (proden) me te pletter.

Slide 12 - Open question

[vt] Hij (slapen) nog ff door.

Slide 13 - Open question

Terug naar hoofdstuk 4
1.   Herhaling theorie verwijswoorden
2.  Herhaling theorie samenhang
3.  De opgaven die je moet maken voor de toets

Slide 14 - Slide

1. VERWIJSWOORDEN
  •  Met dit en deze verwijs je naar iemand of iets dichtbij.
Dit hier; deze twee hier

  • met dat en die verwijs je naar iemand of iets ver weg.
Dat daar; die drie daar

Slide 15 - Slide

WAAR VERWIJS JE NAAR? 
Kijk naar het ingesloten lidwoord van het zelfstandige naamwoord waar je naar verwijst. 

Kortom, herhaal het zelfstandig naamwoord en je weet automatisch of het een de- of het-woord is. 

Hoe zat het ook alweer? 

Slide 16 - Slide

INGESLOTEN LIDWOORD
Het-woorden (enkelvoud)         De-woorden (enkelvoud of                krijgen:                                            meervoud) krijgen: 
Dat                                             Die

Slide 17 - Slide

3. TEKSTVERBANDEN

Er zijn verschillende tekstverbanden met eigen signaalwoorden. Deze rijtjes kan je onderling uitwisselen!

  • de tegenstelling [ maar, hoewel, daarentegen ]  
  • de opsomming [ bovendien, ten eerste, ten tweede, ook, eerst...toen ] 
  • de toelichting [ zo, bijvoorbeeld, zoals, op deze manier ] 
  • de tijd en de volgorde daarin [ gisteren, vervolgens, vroeger, nu, toen, daarna ]  
                     

Slide 18 - Slide

TEKSTVERBANDEN
  • de voorwaarde [ als, indien, in het geval dat ]  
  • de reden vanuit mijzelf [ want, omdat, daarom, daardoor ]
  • de reden vanuit iets of iemand anders [ doordat, dankzij, als gevolg van, dat komt door, waardoor, zodat ]
  • de conclusie [ dus, concluderend, kortom, dat houdt in ]
  • het doel-middel of middel-doel [ om te, opdat, door middel van, daarmee, met de bedoeling ]
                     

Slide 19 - Slide

5. 3F Thema | Bouwstenen H4
Leesleer 4.1 en maak alle opdrachten. De eindopdracht hoef je niet te doen.
4.2 Lezen: alle opdrachten maken, behalve 3, 5, 6, 7, 10e, 12, 13b, 18, 19b, 21, 25, 27
4.3 Schrijven: alle opdrachten maken, behalve 7, 9b, 10, 11, 17, 18;
4.4 Luisteren: alle opdrachten maken, behalve 1, 3, 9d, 15, 17, 18, 21;
4.8 Samengevat: woordtrainer en lesstof (behalve: 'een samenhangende tekst schrijven'). Voor elke paragraaf geldt: inclusief de woordtrainer en lesstof.

Niet
Alles over de vaste tekststructuren. Ook Ik heb deze opdracht uitgevoerd mag je laten schieten. Wil je meer oefenen, dan is Versterk jezelf een goede optie.









Slide 20 - Slide

WANNEER IS DE TOETS?
Dit staat in Magister: vrijdag 28 maart, het tweede lesuur Nederlands.

Mits je alle vereiste opdrachten afhebt! 

Slide 21 - Slide

EINDE VAN DE LES

Slide 22 - Slide