Opdr. 3 Heb je ‘om’ nodig of is ‘te’ genoeg?
Onderstreep het juiste antwoord.
1 De meiden staan op de bus om te / te wachten.
2 Deze kans is te mooi om te / te laten schieten.
3 Rob en Mariska gaan naar Oostenrijk om te / te leren snowboarden.
4 Fey rende hard genoeg om als eerste de finish te halen / als eerste de finish te halen .
5 Ik vertrek vroeg om op tijd op school te komen / op tijd op school te komen .
6 We hebben hard gefietst om op tijd op het voetbalveld te zijn / op tijd op het voetbalveld te zijn .
7 Femke heeft van haar moeder geld gekregen om een nieuwe broek te kopen / een
nieuwe broek te kopen .
8 Hij besloot het telefoonnummer om te / te verwijderen.