Overhoring grammatica 2H

Overhoring grammatica 2H
Taalkundig ontleden
1 / 15
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Overhoring grammatica 2H
Taalkundig ontleden

Slide 1 - Slide

Bij taalkundig ontleden:
A
Kijk je naar het soort woorden in een zin.
B
Kijk je naar de zinsdelen in een zin.
C
Kijk je wat woorden over elkaar zeggen.

Slide 2 - Quiz

Zelfstandige naamwoorden:
A
Geven extra informatie bij een ander woord.
B
Zeggen iets over een mens, dier of ding.
C
Je kunt er een lidwoord voor zetten
D
Geven een naam aan mensen, dieren of dingen.

Slide 3 - Quiz

Wat zijn zelfstandige naamwoorden?
A
Hollywood, Amsterdam, over
B
voor, achter, hoofd
C
kat, geweldig, tafel
D
giraffe, mevrouw De Jong, auto

Slide 4 - Quiz

De drie lidwoorden:

Slide 5 - Open question

Wat zijn bijvoeglijke naamwoorden?
A
Zeggen iets over een zelfstandig naamwoord.
B
Woorden die je voor een element in een zin zet.
C
Zeggen iets over een ander woord dan een zelfstandig naamwoord

Slide 6 - Quiz

Wat zijn bijwoorden?
A
Zeggen iets over een zelfstandig naamwoord.
B
Woorden die je voor een element in een zin zet.
C
Zeggen iets over een ander woord dan een zelfstandig naamwoord.

Slide 7 - Quiz

Wat zijn dit?
Hartstikke, heel, daar, altijd
A
Bijvoeglijke naamwoorden
B
Bijwoorden

Slide 8 - Quiz

Geeft aan wanneer of waar iets is:
A
Voorzetsel
B
Bijwoord
C
Zelfstandig naamwoord
D
Voornaamwoord

Slide 9 - Quiz

Welke soorten voornaamwoorden ken je?

Slide 10 - Open question

Werkwoorden:
A
Geven de tijd van de zin aan
B
Geven aan wat iets of iemand doet
C
Geven aan waar iets gebeurt

Slide 11 - Quiz

Hoeveel typen werkwoorden zijn er?
A
1
B
2
C
3

Slide 12 - Quiz

Welke drie 'wijzen' zijn er qua werkwoorden?
A
Aangevende, meeslepende en bevelende
B
Begrijpende, belevende en bevoegde
C
Aantonende, belevende en bevelende
D
Aantonende, gebiedende en aanvoegende

Slide 13 - Quiz

Kun je zelfstandige werkwoorden weglaten?
A
Ja
B
Nee
C
Ja, maar alleen als er nog een hulpwerkwoord staat.

Slide 14 - Quiz

Lidwoord
Voorzetsel
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Werkwoord
De
docent
heeft
altijd
een
goed
humeur

Slide 15 - Drag question