This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
Waar kun je de hoofdgedachte van een tekst meestal vinden?
Slide 2 - Open question
Slide 3 - Slide
In het antwoord op een met-eigen-woorden-vraag mag je een aantal termen uit de tekst letterlijk overnemen.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 4 - Quiz
Bij het bepalen van de hoofdgedachte van de hele tekst let je vooral op de titel, de inleiding en het slot.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 5 - Quiz
Bij het bepalen van de hoofdgedachte van een alinea of een groepje alinea's let je vooral op de kernzinnen.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 6 - Quiz
Alleen bij een 'in eigen woorden'-vraag mag je niet citeren.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 7 - Quiz
Bij een open vraag mag je verkort citeren.
A
juist
B
onjuist
Slide 8 - Quiz
Slide 9 - Slide
Hij is zeker weten Noors, want hij houdt niet van feestjes en draagt altijd een lange broek.
A
oorzaak-gevolg
B
voorbeelden
C
kenmerk of eigenschap
D
vergelijking
Slide 10 - Quiz
De politie moet hogere boetes uitdelen voor appen op de fiets. Dan zul je zien dat steeds minder mensen dit zullen doen.
A
Oorzaak-gevolg
B
voor- en nadelen
C
Kenmerk of eigenschap
D
vergelijking
Slide 11 - Quiz
Slide 12 - Slide
Wij hebben dit voorjaar in een hotel in Dresden gelogeerd. Het was er super schoon: de douche, het bed en de vloer waren om van te eten. Zie je wel dat Duitsers zeer net en hygiënisch zijn.
A
Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
B
Overhaaste generalisatie
C
verkeerde vergelijking
D
Persoonlijke aanval
Slide 13 - Quiz
De mensen die het met staatssecretaris Dekker oneens zijn, moeten wel last van alzheimer-light hebben.
A
Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
B
Onterecht beroep op autoriteit
C
Persoonlijke aanval
D
Ontduiken van bewijslast
Slide 14 - Quiz
Ik ben de directeur omdat ik het hier voor het zeggen heb.
A
Cirkelredenering
B
Overhaaste generalisatie
C
Onjuist beroep op autoriteit
D
Vertekenen van het standpunt
Slide 15 - Quiz
Sinds ze iPads op school gebruiken, zijn de resultaten voor de rekentoets achteruit gegaan.
A
Onjuist beroep op autoriteit
B
Verkeerde vergelijking
C
Bespelen van publiek
D
Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
Slide 16 - Quiz
Bekijk het examen voor je start
Maak de vragen in de juiste volgorde
Let goed op het aantal punten bij een vraag
Dit examen heeft 38 vragen en
vraag 7, 20 & 33 zijn 3 punten
Slide 17 - Slide
Lezen (met pen!): arceerstift mee
Lees de tekst met pen; dat betekent dat je tijdens het lezen al notities maakt.
- Omcirkel signaalwoorden.
- Arceer kernzinnen.
- Vat elke alinea kort samen in een paar woorden in de kantlijn
Lees tekst 1 + maak vraag 1 t/m 20
Slide 18 - Slide
Training II
Slide 19 - Slide
Slide 20 - Slide
aanleiding
A
Dat wat de schrijver tot het schrijven van de tekst aanzette.
B
Resultaat van waarnemingen en overdenkingen van de schrijver
C
Verhaaltje dat de schrijver vertelt als illustratie bij het onderwerp van de tekst.
D
Vaststelling van een feit of verschijnsel
Slide 21 - Quiz
constatering
A
Resultaat van waarnemingen en overdenkingen van de schrijver
B
Vaststelling van een feit of verschijnsel
C
Samenvattende omschrijving van de kenmerken van een begrip
D
De schrijver laat de betrekkelijkheid van iets zien, zwakt iets af.
Slide 22 - Quiz
relativering
A
Resultaat van waarnemingen en overdenkingen van de schrijver
B
Iets dat nodig is of eerst moet gebeuren voordat iets anders kan gebeuren.
C
De schrijver laat de betrekkelijkheid van iets zien, zwakt iets af.
D
Nadenken over wat het beste is.
Slide 23 - Quiz
Definitie
A
Iets dat nodig is of eerst moet gebeuren voordat iets anders kan gebeuren.
B
Voorwaarde of beperking bij een toezegging
C
Nadenken over wat het beste is.
D
Samenvattende omschrijving van de kenmerken van een begrip
Slide 24 - Quiz
Slide 25 - Slide
Slide 26 - Slide
Geef een waarderend argument bij de stelling: Scholen moeten open blijven (in tijden van corona).
Slide 27 - Open question
Benoem 1 en 2. Ik doe liever geen eindexamen (1), want als ik slaag moet ik naar een vervolgopleiding (2).
A
(1) standpunt, (2) argument
B
(1) argument, (2) standpunt
Slide 28 - Quiz
"Abortus moet verboden worden. Een ongeboren kind heeft ook recht om te leven!" Feitelijk of waarderend?
A
Feitelijk
B
Waarderend
Slide 29 - Quiz
De invoering van de OV-chipkaart heeft al veel problemen opgeleverd. Oplaadpalen doen het bijvoorbeeld vaak niet. Feitelijk of waarderend?