Aanwijzend voornaamwoord

Aanwijzend voornaamwoord
Pak voor je bladzijde 110 van je Grandes Lignes.
1 / 14
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo lwoo, tLeerjaar 2

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Aanwijzend voornaamwoord
Pak voor je bladzijde 110 van je Grandes Lignes.

Slide 1 - Slide

Ken je voorbeelden van het
aanwijzend voornaamwoord
in het Nederlands?

Slide 2 - Mind map

Stukje uitleg in het Nederlands
Het aanwijzend voornaamwoord. 
De betekenis zit eigenlijk al in het woord zelf :-) 
Je gebruikt het als je iets aanwijst.
Deze LessonUp / Die mevrouw / Dit boek / Dat raam

Slide 3 - Slide

En Français!
Ce / cet / cette / ces
Maar hoe weet je nu welke aanwijzend voornaamwoord je moet gebruiken?

Slide 4 - Slide

Mannelijk
Vrouwelijk
Meer-
voud
Klinker / H
Ce
Cette
Ces
Cet

Slide 5 - Drag question

Het stappenplan
Met behulp van deze 4 vragen komt het zeker goed!

1: Is het meervoud? Ja --> Ces.  
Nee? --> door naar vraag 2
2: Is het vrouwelijk? ja --> cette
Nee? --> Door naar vraag 3
3. Is het mannelijk en begint het met klinker of stomme H? 
--> cet Nee? --> Door naar vraag 4.
4. Is het mannelijk? --> ja ce
M
Vr
MV
Kl. / H
Ce
cette
ces
Cet

Slide 6 - Slide

Ennuh... Heel belangrijk!
We kijken natuurlijk naar het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort!

Slide 7 - Slide

Vul het juiste aanwijzend voornaamwoord in:
... pull
A
ce
B
cette
C
cet
D
ces

Slide 8 - Quiz

Vul het juiste aanwijzend voornaamwoord in:
... baskets
A
ce
B
cette
C
cet
D
ces

Slide 9 - Quiz

Vul de juiste vorm van het aanwijzend voornaamwoord in:
... ville
A
ce
B
cette
C
cet
D
ces

Slide 10 - Quiz

Vul de juiste vorm van het aanwijzend voornaamwoord in:
... animal
A
ce
B
cette
C
cet
D
ces

Slide 11 - Quiz

Plaats het juiste aanwijzend voornaamwoord in de zin:
On va en ville, (dit) weekend?
A
ce
B
cette
C
cet
D
ces

Slide 12 - Quiz

Vul de juiste vorm van het aanwijzend voornaamwoord in de zin:
Comment tu trouves (deze) jean?
A
ce
B
cette
C
cet
D
ces

Slide 13 - Quiz

Au travail!
Les devoirs:
Faire (maken): 17 c / 18 a - b - d - e
Apprendre (leren): Bron E + Pouvoir/vouloir + Aanwijzend voornaamwoord. 

Slide 14 - Slide