Basisstof 5 Aanpassingen bij dieren

Basisstof 5 Aanpassingen bij dieren
1 / 12
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Basisstof 5 Aanpassingen bij dieren

Slide 1 - Slide

Startopdracht
overleg met de persoon naast je wat je vind van de volgende stellingen:
waar ben je het met elkaar over eens / oneens

- Mensen moeten zich net zo goed aanpassen aan klimaatverandering als dieren

- De poten van een dier vertellen je alles over waar hij leeft

- Als wij het leefgebied van dieren veranderen, moeten wij ook zorgen dat ze kunnen overleven

Slide 2 - Slide

Wat is een abiotische factor?
A
Soortgenoten
B
Voedsel
C
Ziekteverwekkers
D
Regen

Slide 3 - Quiz

Bij welk is nitraat aanwezig?
A
1
B
4
C
7
D
3

Slide 4 - Quiz

Leerdoel
6.5.1 Je kunt uitleggen hoe dieren zijn aangepast aan hun leefomgeving.

Slide 5 - Slide

Waterdieren
Voor waterdieren is een gestroomlijnd lichaam ook belangrijk om zich goed te kunnen voortbewegen. Waterdieren hebben een lichaamsvorm die zo weinig mogelijk weerstand van het water heeft, dit noem je gestroomlijnd. Dan steekt kop, romp en staart niet uit.

Door de schutkleur vallen deze dieren niet op, omdat de kleur hetzelfde is als hun leefomgeving:
• Als ze onder hun prooi zwemmen, vallen ze niet op, want de zee onder hen is ook donker.
• Als ze boven hun prooi zwemmen, heeft de witte buik ongeveer dezelfde kleur als het zonlicht boven het water.

Slide 6 - Slide

Landdieren
Dieren hebben poten die aangepast zijn aan de ondergrond waar ze op lopen, namelijk:
- Zoolgangers (bijv, beren), leven meer op zachte ondergrond.
- Teengangers (bijv, katten), leven meer op harde ondergrond.
- Hoefgangers (bijv. paarden), leven meer op harde ondergrond.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Snavels van vogels
5 type snavels:
- Kegelsnavel: Korte snavel waarmee veel kracht kan worden gezet om harde zaden te kraken. Eet vooral zaden.
- Pincetsnavel: Recht, spits en smalle snavel waarmee insecten uit hun schuilplaats worden gehaald. Eet vooral insecten.
- Haaksnavel: Krom naar beneden gebogen met een scherpe punt om de prooi in stukken te scheuren. Eet vooral dieren bijv. muizen en mollen.
- Zeefsnavel: Brede snavel om het voedsel uit water te zeven. Eet kleine planten en dieren.
- Priemsnavel: Lange, dunne snavel om voedsel te zoeken in ondiep water of zanderige bodem. Eet vooral bodemdieren bijv. wormen

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Poten van vogels
1. Zangvogels leven in bomen en struiken, daarom staan er 3 tenen naar voren en 1 naar achteren om zich vast te klemmen aan takken.
2. Roofvogels hebben de tenen scherpe nagels (klauwen) om prooi mee te vangen.
3. De meeste watervogels hebben zwemvliezen tussen de tenen om snel te kunnen zwemmen.
4. Steltlopers zoeken voedsel in ondiep water. Dankzij hun lange poten met zwemvliezen tussen de tenen blijven de veren droog en zakken ze niet weg in het zand.

Slide 11 - Slide

huiswerk
BB, Opdracht 1, 2, 5, 6
KB, Opdracht 1, 2, 3, 5, 6, 7
TL, Opdracht 1, 2, 3, 5, 6, 7

Slide 12 - Slide