4.7 - woordsoorten

4.7 - woordsoorten
Leg op tafel:
Laptop/ aantekeningenschrift/pen
1 / 33
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

4.7 - woordsoorten
Leg op tafel:
Laptop/ aantekeningenschrift/pen

Slide 1 - Slide

Planning
  • Lesdoelen
  • Denkvierkant
  • Maken
  • Uitleg
  • Lesdoelen check

Slide 2 - Slide

Lesdoelen
Aan het einde van de lessen...
> kun je de woordsoorten lidwoord, zelfstandig naamwoord en werkwoord benoemen en herkennen.

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Opdracht
Ga in tweetallen zitten. 

Bedenk samen wat lidwoorden, zelfstandig naamwoorden en werkwoorden zijn en bedenk er voorbeelden bij.

Klaar? Maak opdracht 1 en 2.
timer
5:00

Slide 5 - Slide

Welke lidwoorden zijn er?

Slide 6 - Open question

Wat zijn zelfstandig naamwoorden?

Slide 7 - Open question

Lidwoord & Zelfstandig naamwoord
Er zijn drie lidwoorden (lw) --> de, het & een
Lidwoorden staan voor zelfstandige naamwoorden (zn)

Zelfstandige naamwoorden zijn:
  1. Mensen   - dokter, zus, docent
  2. Dieren      - hond, koe, giraffe
  3. Dingen     - telefoon, kast, fatbike
  4. Namen     - Rosalynn, Milan, Jadee
  5. Planten    - cactus, varen, klimop
  6. Begrippen - liefde, oorlog, ruzie (kun je lw
                                                                     voorzetten)

Slide 8 - Slide

Werkwoorden

Slide 9 - Mind map

Werkwoorden
Een werkwoord is een woordsoort.

Een werkwoord is een 'doe'- woord (Ik fiets, ik loop, ik gaap)

Een werkwoord kan jou ook overkomen (Hij overvalt mij, hij dwingt mij)


Slide 10 - Slide

Herhaling zn - lw - ww
  • Op de volgende dia's staan drie verschillende opdrachten;
  • Lees alle drie de opdrachten en kies er 1.
  • Je werkt de opdracht uit in een Word doc. of op een blaadje.

Ben je vergeten wat zn - lw - ww zijn? Lees de gele dia's aan het einde van de uitleg dia's.

Slide 11 - Slide

Opdracht 1: Poster van Woorden en Tekeningen
Stap 1: 
> Verzin een leuk onderwerp
    (voorbeeld: vakantie, smoothie, eten)
> Bedenk 5 - 8 zelfstandig naamwoorden die horen bij elkaar 
> Schrijf voor elk zelfstandig naamwoord het juiste lidwoord
> Bedenk 5 werkwoorden die bij de zelfstandig naamwoorden horen 
    (voorbeeld: bij 'de fatbike' hoort het werkwoord 'rijden'

Slide 12 - Slide

Opdracht 1: Poster van Woorden en Tekeningen
Stap 2: 
> Pak een blad
> Maak een tekening bij elk zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: teken een hond die rent of een boek dat openligt. Zorg ervoor dat de tekening de betekenis van het zelfstandig naamwoord en het werkwoord laat zien. Schrijf de woorden erbij.
> Wees creatief: Gebruik kleuren, pijlen, en plaatjes om te laten zien hoe de woorden met elkaar verbonden zijn. Bijvoorbeeld een pijl die van het werkwoord naar het zelfstandig naamwoord wijst wijst).

Slide 13 - Slide

Opdracht 2: Verhaal schrijven
Schrijf een kort verhaal (ongeveer 100-150 woorden) over een avontuur waarin een zelfstandig naamwoord de hoofdrol speelt. Gebruik minimaal 5 zelfstandig naamwoorden, 5 werkwoorden en zorg ervoor dat elk zelfstandig naamwoord een bijpassend lidwoord heeft.

Volgende dia staat de opdracht in stappen uitgelegd.

Slide 14 - Slide

Opdracht 2: Verhaal schrijven
1. Kies een hoofdpersoon: Dit kan een dier, persoon, object of iets anders zijn. 

2. Bedenk een avontuur: Je hoofdpersoon gaat iets spannends of leuks beleven. Wat gebeurt er? Waar gebeurt het? Wat doet je hoofdpersoon? Zorg ervoor dat je werkwoorden gebruikt die het avontuur goed beschrijven (bijvoorbeeld: rennen, klimmen, zoeken, vinden, vechten)

3. Gebruik lidwoorden correct: Denk goed na over welk lidwoord je voor elk zelfstandig naamwoord moet gebruiken: de, het, een. Bijvoorbeeld: "de hond rent snel", "het meisje zoekt)

4. Gebruik minstens 3 zinnen waarin je een werkwoord en een zelfstandig naamwoord combineert. Maak het verhaal spannend en zorg ervoor dat het logisch is!

Slide 15 - Slide

Opdracht 3: Mindmap maken
  • Zet als onderwerp: Woordsoorten
  • Maak een lijn naar zelfstandig naamwoorden en schrijf daar zoveel mogelijk voorbeelden van op
  • Doe het zelfde met lidwoorden en werkwoorden.
  • Wees creatief met plaatjes of tekeningetjes en gebruik kleuren.
Zie voorbeeld volgende dia.

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Klaar?
Zoek op wat een bijvoeglijk naamwoord en een voorzetsel is. Verwerk het in jouw gekozen en gemaakte opdracht.

Ben je daarmee klaar? Maak 4.7: opdracht 1 en 2.

Slide 18 - Slide

4.7 - woordsoorten
Deel 2
Leg op tafel:
Laptop/ aantekeningenschrift/pen

Slide 19 - Slide

Planning
  • Lesdoelen
  • Denkvierkant
  • Maken
  • Uitleg
  • Lesdoelen check

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Lesdoelen
Aan het einde van de lessen...
> kun je de woordsoorten lidwoord, zelfstandig naamwoord en werkwoord benoemen en herkennen.

Slide 22 - Slide

Lidwoorden (3x draaien)

Slide 23 - Slide

Zelfstandig naamwoorden(5x draaien)

Slide 24 - Slide

Werkwoorden (5x draaien)

Slide 25 - Slide

Welk woord is een lidwoord in de volgende zin:
De gelaarsde kat is blij.
A
De
B
kat
C
is
D
blij

Slide 26 - Quiz

3 lidwoorden

Slide 27 - Mind map

Welk woord is een zelfstandig naamwoord?
A
varen
B
een
C
bezemen
D
dierenarts

Slide 28 - Quiz

Wat is een zelfstandig naamwoord?

Slide 29 - Open question

Lidwoord & Zelfstandig naamwoord
Er zijn drie lidwoorden (lw) --> de, het & een
Lidwoorden staan voor zelfstandige naamwoorden (zn)

Zelfstandige naamwoorden zijn:
  1. Mensen
  2. Dieren
  3. Dingen
  4. Namen
  5. Planten

Slide 30 - Slide

Werkwoorden

Slide 31 - Mind map

Werkwoorden
Een werkwoord is een woordsoort.
In een zin staat ten minste één werkwoord.
Er zijn ook zinnen met meer dan één werkwoord.

Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet, wat iets of iemand overkomt of  wat er is gebeurd.


Slide 32 - Slide

Maken 4.7


Opdracht 1 t/m 10
Klaar? Ga aan NUMO.

Slide 33 - Slide