Rekenopgaven & antwoorden Hoofdstuk 4

1 / 35
next
Slide 1: Slide
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Proefwerk hoofdstuk 4
Maandag 4 april
Pak jouw VIP erbij

Slide 2 - Slide

Lesdoelen
1. Je kunt de rekenopgaven goed beantwoorden.
2. Je weet wat er gevraagd wordt op het proefwerk.
3. Docent weet wat jullie nog lastig vinden.

Slide 3 - Slide

Aan het einde van deze oefeningen
1) Bereken je goed de toegevoegde waarde binnen een bedrijfskolom.
2) Bereken je goed de productiekosten, kostprijs per product en totale productiekosten.
3) Bereken je goed de winst
4) Bereken je goed de afschrijvingen per jaar, de aanschafprijs en het aantal gebruiksjaren.

Slide 4 - Slide

Wie denkt de alle rekenopgaven zelf, in stilte, te kunnen maken zonder hulp?
Ik
Ik nog niet

Slide 5 - Poll

Groep zelfstandig

Huiswerk: Alle rekenopgaven bladzijde 134 & 135
+ alle opgaven van 4.1 t/m 4.4
Afspraak: Je werkt in stilte

Klaar? Iets voor jezelf doen in stilte.
Niet gemaakt? Vrijdagmiddag afmaken + herhalingsopgaven. 
Omcircel maximaal 5 opdrachten die je niet snapt. 

Slide 6 - Slide

Groep klassikaal
Jullie doen mee met de Lesson Up
Huiswerk: Alle opgaven van 4.1 t/m 4.4
Afspraak: Je praat alleen als je de beurt hebt.

Niet gemaakt? Vrijdagmiddag afmaken + herhalingsopgaven. 
Omcircel maximaal 5 opdrachten die je niet snapt. 


Slide 7 - Slide

Bereken de toegevoegde waarde
van de chipsfabriek.

Slide 8 - Open question

Wat is de toegevoegde waarde van de chipsfabriek?
Verkoopprijs - kostprijs = toegevoegde waarde
Chipsfabriek koopt de producten voor €0,19
Chipsfabriek verkoopt de producten voor €1,15
€1,15 - €0,19 = €0,96

Slide 9 - Slide

Welk bedrijf voegt de minste waarde toe?

Slide 10 - Slide

Aan het einde van deze oefeningen
1) Bereken je goed de toegevoegde waarde binnen een bedrijfskolom. 
2) Bereken je goed de productiekosten, kostprijs per product en totale productiekosten.
3) Bereken je goed de winst
4) Bereken je goed de afschrijvingen (per jaar).

Slide 11 - Slide

Kostprijs per product berekenen
Totale productiekosten / aantal producten

Slide 12 - Slide

Jan's fietsenfabriek heeft deze week 5200 fietsen geproduceerd. De totale productiekosten zijn €949.000,- Bereken de kostprijs per fiets
timer
2:00

Slide 13 - Open question

€949.000 / 5200 = €182,50
Jan's fietsenfabriek heeft deze week 5200 fietsen geproduceerd. De totale productiekosten zijn €949.000 Bereken de kostprijs per fiets.

Slide 14 - Slide

Scheepswerf IJmuidje bouwt 35 schepen. De kostprijs per schip is gemiddeld €37.000,-
Bereken de totale productiekosten.
timer
1:30

Slide 15 - Open question

Afzet x kostprijs = totale productiekosten
35 x €37.000 = €1.295.000
Scheepswerf IJmuidje bouwt 35 schepen. De kostprijs per schip is gemiddeld €37.000,- 
Bereken de totale productiekosten.

Slide 16 - Slide

De totale productiekosten van de schepen waren €1.300.000,- Door goedkoper materiaal van de schepen gaat de kostprijs per schip met 15% omlaag. Hoeveel zijn nu de productiekosten?
timer
1:30

Slide 17 - Open question

De totale productiekosten van de schepen waren €1.300.000,- Door goedkoper materiaal van de schepen gaat de kostprijs per schip met 15% omlaag. Hoeveel zijn nu de productiekosten?
:100
x15
€1.300.000
13.000
€195.000
100%
1%
15%
:100
x15

Slide 18 - Slide

Aan het einde van deze oefeningen
1) Bereken je goed de toegevoegde waarde binnen een bedrijfskolom. 
2) Bereken je goed de productiekosten, kostprijs per product en totale productiekosten.
3) Bereken je goed de winst.
4) Bereken je goed de afschrijvingen (per jaar).

Slide 19 - Slide

Omzet berekenen
Omzet = verkoopopbrengsten 
Omzet = afzet (aantal verkochte stuks) x verkoopprijs

Slide 20 - Slide

Phina verkoopt 155 tosti's voor €2,50 per stuk. Bereken de omzet.
timer
1:00

Slide 21 - Open question

155 x €2,50 = €387,50
Omzet = afzet (aantal verkochte stuks) x verkoopprijs

Phina verkoopt 155 tosti's voor €2,50 per stuk. Bereken de omzet.

Slide 22 - Slide

Winst/verlies berekenen
Winst/verlies = omzet (ook wel verkoopopbrengsten) - kosten

Slide 23 - Slide

Annika organiseert een schoolfeest. Een kaartje voor het feest kost €4,75. Het geld dat Annika overhoudt, geeft ze aan een goed doel. Op het feest komen 82 mensen. De totale kosten zijn €211.
Welk bedrag kan Annika aan het goede doel schenken?
timer
2:00

Slide 24 - Open question

€4,75 x 82 = €389,50
€389,50 - €211 = €178,50
Annika organiseert een schoolfeest. Een kaartje voor het feest kost €4,75. Het geld dat Annika overhoudt, geeft ze aan een goed doel. Op het feest komen 82 mensen. De totale kosten zijn €211.
Welk bedrag kan Annika aan het goede doel schenken?

Slide 25 - Slide

Aan het einde van deze oefeningen
1) Bereken je goed de toegevoegde waarde binnen een bedrijfskolom. 
2) Bereken je goed de productiekosten, kostprijs per product en totale productiekosten.
3) Bereken je goed de winst.
4) Bereken je goed de afschrijvingen (per jaar).

Slide 26 - Slide

Afschrijvingen berekenen
Afschrijving per jaar =
(Aanschafprijs - restprijs*)  / aantal gebruiksjaren

*Als restprijs bekend is

Slide 27 - Slide

Timo heeft een laptop nodig voor zijn werk. Daarom koopt hij voor €1.398 een nieuwe laptop. Timo gaat ervan uit dat hij er 3 jaar mee kan doen. Bereken de afschrijvingen per jaar.
timer
2:00

Slide 28 - Open question

€1398 (-€0) / 3 = €279,60

Timo heeft een laptop nodig voor zijn werk. Daarom koopt hij voor €1.398 een nieuwe laptop. Timo gaat ervan uit dat hij er 3 jaar mee kan doen. Bereken de afschrijvingen per jaar.

Slide 29 - Slide

Aan het einde van deze oefeningen
1) Bereken je goed de toegevoegde waarde binnen een bedrijfskolom. 
2) Bereken je goed de productiekosten, kostprijs per product en totale productiekosten.
3) Bereken je goed de winst.
4) Bereken je goed de afschrijvingen (per jaar). 

Slide 30 - Slide

Je kunt uitleggen wat produceren is en wat productiefasen zijn.
Je kunt uitleggen wat een bedrijfskolom is en hoe bedrijven waarde toevoegen.
Je kunt uitleggen wat productiefactoren zijn, deze 3 benoemen en voorbeelden geven.
Je kunt de kostprijs per product en de totale productiekosten berekenen.
A
produceren en productiefasen
B
bedrijfskolom en toegevoegde waarde berekenen
C
3 productiefactoren met voorbeelden
D
kostprijs per product en productiekosten berekenen

Slide 31 - Quiz

Je weet wat milieuschade is en kan hier voorbeelden van geven.
Je kunt het verschil uitleggen tussen bedrijfskosten en maatschappelijke kosten.
Je kunt uitleggen (met voorbeeld) wat duurzaam produceren is.
Je kunt uitleggen wat recycling (met voorbeelden) en wat circulaire economie is.
A
milieuschade en voorbeelden
B
bedrijfskosten en maatschappelijke kosten
C
duurzaam produceren met voorbeeld
D
recycling en circulaire economie

Slide 32 - Quiz

Je kunt drie redenen noemen waarom bedrijven investeren + voorbeelden van investeren.
Je kunt afschrijvingen per jaar en totale afschrijvingen berekenen.
Je kunt het verschil uitleggen tussen mechanisering en automatisering.
Je kunt uitleggen wat arbeidsproductiviteit is en wat dit met de kostprijs per product te maken heeft.
A
3 redenen om te investeren + voorbeelden
B
afschrijvingen per jaar en totale afschrijvingen berekenen
C
verschil mechanisering en automatisering
D
arbeidsproductiviteit en verband met kostprijs

Slide 33 - Quiz

Je kunt uitleggen wat een ondernemer is + verschil met werknemer.
Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen arbeidsintensief en kapitaalintensief produceren.
Je kunt uitleggen wat omzet is en de omzet berekenen.
Je kunt de winst berekenen.
A
uitleg ondernemer + verschil met werknemer
B
verschil arbeidsintensief en kapitaalintensief produceren
C
uitleg omzet + omzet berekenen
D
winst berekenen

Slide 34 - Quiz

Huiswerk:
Alle opgaven van 4.1 t/m 4.4 met berekeningen in je schrift. 
Volgende les gaan we ze bespreken, je moet de antwoorden dus ook kunnen uitleggen. 

Slide 35 - Slide