1vt1 - vr040425

1 / 33
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

This lesson contains 33 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Qu'est-ce qu'on va faire?
  • Interroger
  • Grammaire 
  • Au travail
  • Les devoirs
Doel: kunnen zeggen van wie iets is, dmv een bez. vnw.

Slide 2 - Slide

Hoe heb je het leer- en maakwerk bijgehouden tijdens de lessen (1=niet 5=heel goed)

Slide 3 - Open question

Hoe heb je de toets geleerd? (1=niet 5=heel goed)

Slide 4 - Open question

Hoe vond je de toets aansluiten bij dat wat we in de lessen deden? (1=niet 5=heel goed)

Slide 5 - Open question

Welke TOP heb je voor de docent/lessen?

Slide 6 - Open question

Welke TIP heb je voor de docent/lessen?

Slide 7 - Open question

Interroger

Slide 8 - Slide

... contrôle (mijn)
A
mon
B
ma
C
mes

Slide 9 - Quiz

... école (haar)
A
son
B
sa
C
ses

Slide 10 - Quiz

... chambre (jouw)
A
ton
B
ta
C
tes

Slide 11 - Quiz

... secret (ons)
A
notre
B
nos

Slide 12 - Quiz

... classes (uw)
A
votre
B
vos

Slide 13 - Quiz

... trousse (zijn)
A
son
B
sa
C
ses

Slide 14 - Quiz

... prof (jullie)
A
votre
B
vos

Slide 15 - Quiz

... affaires (jouw)
A
ton
B
ta
C
tes

Slide 16 - Quiz

Grammaire - bezittelijk voornaamwoord
Mijn kamer is niet groot. 
Hoe ziet jouw kamer eruit? 
Haar tas is vies. 
Haar tassen zijn allemaal vies. 

  • Geeft aan van wie iets is 

Slide 17 - Slide

Grammaire - bezittelijk voornaamwoord
In het Frans kijk je niet alleen naar van wie iets is, maar óók of het zelfstandig naamwoord mannelijk, vrouwelijk of meervoud is. 

Mon père est sévère. 
Ma mère est sympa. 

Slide 18 - Slide

Grammaire - bezittelijk voornaamwoord
Mijn
Jouw
Zijn/haar
Mannelijk
Mon
Ton
Son
Vrouwelijk
Ma
Ta
Sa
Meervoud
Mes
Tes
Ses

Slide 19 - Slide

Grammaire - bezittelijk voornaamwoord
Mijn rugzak is zwaar - Mon sac à dos est lourd. 
Mijn etui is rood - Ma trousse est rouge 
Mijn docenten zijn grappig - Mes profs sont marrants. 

Slide 20 - Slide

Grammaire - bezittelijk voornaamwoord
Let op! Als het woord vrouwelijk is én met een klinker begint, krijg je toch de mannelijke vorm (klinkerbotsing)

Ta amie est marrante (jouw vriendin is grappig) 
Ton amie est marrante 

Slide 21 - Slide

Grammaire - bezittelijk voornaamwoord
Let op! Son/sa/ses kan zowel zijn als haar betekenen. 

Son tableau est beau - Zijn/haar schilderij is mooi. 
Sa chambre est grande - Zijn/haar kamer is groot. 
Ses parents sont sympas - Zijn/haar ouders zijn aardig. 

Slide 22 - Slide

Grammaire - bezittelijk voornaamwoord
ons, onze
uw, jullie
hun
enkelvoud
notre
votre
leur
meervoud
nos
vos
leurs

Slide 23 - Slide

Corriger ex. 30

Slide 24 - Slide

Corriger ex. 30a
1. ton, mon
2. ton, mon
3. ta, ma
4, tes, mes

Slide 25 - Slide

Corriger ex. 30c
  1. mon, ma, mes 
  2. ton, ta, tes

Slide 26 - Slide

Corriger ex. 30d
  1. jouw
  2. mijn
  3. uw/jullie
  4.  zijn/haar
  5. onze
  6. jouw

Slide 27 - Slide

Corriger ex. 30e
  1. son 
  2. ton (ta)
  3. ses 
  4. notre
  5. tes
  6. leurs
  7. mon
  8. ses 

Slide 28 - Slide

Corriger ex. 31a
  1. Notre
  2. mes
  3. Leur
  4. ses
  5. tes
  6. mon 

Slide 29 - Slide

Corriger ex. 31c
  1. C'est notre livre de français
  2. Ce sont ses devoirs
  3. C'est ma trousse
  4.  C'est votre prof de gym
  5. C'est son carnet de notes
  6. Ce sont leurs sandwichs. 
  7. C'est ta matière préférée. 

Slide 30 - Slide

Au travail
Herhalingshoofdstuk (page 137)
- Exercice 1ab
- Exercice 2ab
- Exercice 4ab
- Exercice 5bc
Woordenlijst hoofdstuk 1: page 52 et 53

Slide 31 - Slide

C'est moi
C'est mon lapin 

C'est ma trousse 

10 zinnen met bezittelijk voornaamwoord
C'est = het is, dat is
Ce sont = dit zijn ... 

Slide 32 - Slide

Les devoirs
Mardi le 11 mars

Apprendre: blokje F nf/fn hf 3 + ww être
Faire: opdr. herhalingshoofdstuk (page 137)

Slide 33 - Slide