G2 - Unité 3 "C'est qui, c'est quoi?"

1 / 41
next
Slide 1: Video
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Slide 1 - Video

Le programme
  • Prévision: planning 
  • Introduction Unité 3 | 10'
  • Corrigez: ex. 3 + 4 | 10'
  • Vocabulaire: app. 1 | 10'
Les devoirs
- Lr. app 2 | Mk.  ex. 5 + 6
Lesdoelen
  • Ik kan vertellen waar Unité 3 over gaat.
  • Ik kan de vlog begrijpen waarin Julien vertelt over een Franse film.
  • Ik kan aangeven van minimaal 10 termen of dat positief/negatief/twijfel is.
  • Ik heb geoefend met de vocabulaire van apprendre 1.

Slide 2 - Slide

Prévision: Planning
"Ik weet wat ongeveer de planning is voor periode 3 bij Frans."
  1. Taaltaak foto beschrijven | 10% | di. 13 mei
    Personen + vormen: bijv.nw (Unité 3)
  2. Luistertoets  | 10% | di. 10 juni
    Unité 6 - vocabulaire
  3. Leertoets + lezen | 15% | Week 27/28
    Unité 3 + 6 - vocabulaire & lezen




Slide 3 - Slide

Introduction Unité 3 (p.86-87)
"Ik kan vertellen waar Unité 3 over gaat"
  1. Lisez ensemble: p.86-87
timer
5:00

Slide 4 - Slide

Unité 3 "C'est qui? C'est quoi?"
Na deze Unité  kan ik:
  • de vlog begrijpen waarin Julien vertelt over een Franse film.
     
  • in een overzicht specifieke informatie over films vinden en begrijpen.
     
  • het onderwerp herkennen van een gesprek waarin iets wordt beschreven.

  • Een straat, gebouw, kamer, dier en een voorwerp beschrijven.  =

  • Mensen beschrijven aan de hand van hun uiterlijk.

Grammatica
  • Werkwoord 'mettre' & 'bijvoeglijk naamwoord'

Slide 5 - Slide

Donner ton opinion
"Ik kan mijn mening geven over een film."
  1. Corrigez: ex. 3+4 (p.89)
timer
5:00

Slide 6 - Slide

Quizlet Unité

Slide 7 - Slide

Les devoirs
Lesdoelen 
  • Ik kan vertellen waar Unité 3 over gaat.
  • Ik kan de vlog begrijpen waarin Julien vertelt over een Franse film.
  • Ik kan aangeven van minimaal 10 termen of dat positief/negatief/twijfel is.
  • Ik heb geoefend met de vocabulaire van apprendre 1.
Les devoirs

  1. Apprends (leer): apprendre 2 (p.114) 
  2. Faites (maak): exercices 5 + 6 (p.90-93)
timer
10:00

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Video

Le programme
  • Parler (Doeltaal-leertaal) | 5'
  • Révision: test + feedback | 20'
  • Corrigez: ex. 5+6 | 10'
  • Vocabulaire: app. 2 | 10'
Les devoirs
- Lr. app 5 | Mk.  ex. 10 + 16A
Lesdoelen
  • Ik weet wat er wel/niet goed is gegaan op de toets.
  • Ik kan mezelf een tip/top geven m.b.t. cijfer/WI.
  • Ik heb om feedback gevraagd als de WI lager dan 'V' was / mijn cijfer onder de 6,0 is.
  • Ik heb geoefend met de vocabulaire van apprendre 2

Slide 10 - Slide

Parler: doeltaal-leertaal
Ik kan zeggen wat voor kleur haar / welke kleur ogen iemand heeft.
timer
5:00

Slide 11 - Slide

Révision: test
Stap 1: Gezamenlijk meest gemaakte fouten & leestekst bespreken

  • Tekst 1 & 2 | vragen 3, 5
  • Faire  | vraag e, f
  • Tekst 3 | x
  • Klok | ging goed, waren 2 opties mogelijk
  • Tekst 4 & 5 | vragen 12, 14
  • Bezittelijk vnw. | vraag 15: "met woorden erachter" & vertaling
    vraag 16d





timer
20:00

Slide 12 - Slide

Révision: test
Stap 1: Gezamenlijk meest gemaakte fouten & leestekst bespreken

Stap 2: Individueel evaluatie invullen
> Start met voorkant (voorbereiding)
> Achterkant: vul per onderdeel aantal fouten in. Wat valt je op? Schrijf erbij + leerpunten!

Stap 3: Lever alles weer in bij docent 
> Vertel de docent je eigen tip + top en vraag evt. om feedback.

Stap 4: Huiswerk nakijken
> Vraag bij docent het nakijkblad voor ex. 5 + 6 --> verbeter zichtbaar!
> Klaar met nakijken? Lever nakijkblad in. 
> Leer apprendre 5 & maak ex. 10 + 16A



timer
20:00

Slide 13 - Slide

Quizlet Unité

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Video

Le programme
  • Parler (Doeltaal-leertaal) | 5'
  • Corrigez ex. 10 + 16A | 10'
  • Explication: l'adjectif
Les devoirs
- Lr. app 5+6  | Mk.  ex. 16C, 16D, 17, 20
Lesdoelen
  • Ik kan het uiterlijk van een klasgenoot beschrijven.
  • Ik kan vertellen wat een adjectif is en hoe ik deze in het Frans gebruik.
  • Ik heb geoefend met de bijvoeglijke naamwoorden.

Slide 16 - Slide

Parler: doeltaal-leertaal
Ik kan beschrijven hoe iemand eruit ziet.
  • Lengte
  • Lichaamsbouw
  • Kleur ogen
  • Kleur haar

> Corrigez ex. 10 (p.97)
timer
5:00

Slide 17 - Slide

Het adjectif  past zich aan aan het zelfstandig naamwoord waarop het adjectif  terugslaat.

  • un petit garçon
  • une petite fille
  • des petits garçons
  • des petites filles
L'adjectif

Slide 18 - Slide

In het Frans..
Plaats bijvoeglijk naamwoord
  • J'ai une belle maison
  • Je porte un jean noir
  • J'ai un nouveau vélo

Slide 19 - Slide

Vóór het zelfstandig naamwoord:
  • bon - bonne - bons - bonnes      ( goed)           
  • grand - grande - grands - grandes ( groot)
  • petit - petite- petits - petites  (klein)
  • vieux - vieille - vieux - vieilles  (oud)
  • nouveau - nouvelle - nouveaux - nouvelles (nieuw)
  • beau - belle - beaux - belles (mooi)
L'adjectif: plaats

Slide 20 - Slide

Corrigez 16A
Exercice 16B
  • ensemble
  • écouter verschil mnl. / vrl.
Exercice 16C
  • Let op bijzondere vormen (p.102)
Exercice 16D
  • Let op vorm én plaats (p.131-132)
Huiswerk: ex. 17 + 20
L'adjectif
timer
20:00

Slide 21 - Slide

Quizlet Unité

Slide 22 - Slide

Les devoirs
Lesdoelen 
  • Ik kan het uiterlijk van een klasgenoot beschrijven.
  • Ik kan vertellen wat een adjectif is en hoe ik deze in het Frans gebruik.
  • Ik heb geoefend met de bijvoeglijke naamwoorden.
Les devoirs

  1. Apprends (leer): apprendre 5 + 6
  2. Faites (maak): exercices 16C, 16D, 17, 20
timer
10:00

Slide 23 - Slide



Ma grand-mère est une ____ dame. (oude)


Adjectif
A
vieux
B
vieil
C
vieille
D
vieilles

Slide 24 - Quiz


Le jardin est très ......
Adjectif
A
beau
B
belle
C
beaux
D
belles

Slide 25 - Quiz


La .... voisine a préparé une pizza.
Adjectif
A
nouveau
B
nouvelle
C
nouveaux
D
nouvelles

Slide 26 - Quiz


Adjectif
Welke bijvoeglijke voornaamwoorden komen vóór het zelfstandig naamwoord?

Slide 27 - Open question


Adjectif
Traduis: Jasmine en Claire zijn creatieve meisjes.

Slide 28 - Open question


Adjectif
Traduis: Het is een goed idee.

Slide 29 - Open question


Adjectif
Traduis: Het is een mooie man.

Slide 30 - Open question

Jouer 'Qui est-ce?!'
  • Individuellement!
  • Niveau 1 = facille
    >>> 
  • Niveau 2 = base
    >>> 
  • Niveau 3 = défi (uitdaging)

Notez
Vul jullie woordenlijstje aan met minimaal 4 nieuwe woorden uit het spelletje.
timer
7:00
Jeu: Qui est-ce?

Slide 31 - Slide


Qui est-ce?
Zoek een plaatje op met meerdere personen / personnages. Maak een beschrijving van minimaal 5 Franse zinnen over 1 persoon uit het plaatje. Na afloop gaan we raden wie je hebt beschreven.

Slide 32 - Open question



Ma grand-mère est une ____ dame. (oude)


Adjectif
A
vieux
B
vieil
C
vieille
D
vieilles

Slide 33 - Quiz


Le jardin est très ......
Adjectif
A
beau
B
belle
C
beaux
D
belles

Slide 34 - Quiz


La .... voisine a préparé une pizza.
Adjectif
A
nouveau
B
nouvelle
C
nouveaux
D
nouvelles

Slide 35 - Quiz


Adjectif
Welke bijvoeglijke voornaamwoorden komen vóór het zelfstandig naamwoord?

Slide 36 - Open question


Adjectif
Traduis: Jasmine en Claire zijn creatieve meisjes.

Slide 37 - Open question


Adjectif
Traduis: Het is een goed idee.

Slide 38 - Open question


Adjectif
Traduis: Het is een mooie man.

Slide 39 - Open question

Grammaire 'Adjectif' (p.101-104)
"Je kunt een persoon en/of voorwerp beschrijven door middel van bijvoeglijk naamwoorden."
Exercice 18 (p.106)
1. Vul 'spiekbriefje' aan.
2. Complete zinnen + antw.
Qu'est-ce que la prof raconte?
> Elle raconte .......

timer
7:00
m
f
fou
nouveau
délicieux
vieux
beau
blanc

Slide 40 - Slide

G2 - Unité 3 "C'est qui, c'est quoi?"

Slide 41 - Slide