H1 introduction unité 4

H1C
Levi
Vinne
Dent
Arlain
Jayson
Cédric
Kiara
Kim
Denver
Sem
Alicia
Kirsten
Elin
Fredrique
Evi
Eva
Suus
Elijah
Milan
Iris
Mats
Nathaniel
Jaivy
Docent
1 / 40
suivant
Slide 1: Diapositive
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

Cette leçon contient 40 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 2 vidéos.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

H1C
Levi
Vinne
Dent
Arlain
Jayson
Cédric
Kiara
Kim
Denver
Sem
Alicia
Kirsten
Elin
Fredrique
Evi
Eva
Suus
Elijah
Milan
Iris
Mats
Nathaniel
Jaivy
Docent

Slide 1 - Diapositive

H1A
Damian
Mick
Tijn
Noah
Keano
Roos
Caithlynn
Fynn
Seppe
Musa
Ravel
Chloé
Alice
Kayleigh
Hesselina
Isaiah
Luca
Evy
Carlijn
Ayden
Ian
Sienna
Lisa
Britte
Docent

Slide 2 - Diapositive

H1B
Nicole
Marly
Sienna
Alexandra
Darren
Giuliano
Delayla
Fienne
Maura
Colin
Lucas
Livia
Isha
Brent
Shreyas
Seraphine
Lindsey
Olivier
Kenzo
Lina
Yara
Julian
Joey
Bas
Docent

Slide 3 - Diapositive

Slide 4 - Diapositive

Planning
"Ik weet wat ongeveer de planning is voor deze periode  bij Frans."
  1. toets unité 4 in week 15; 7 april ! Apprendre 1 t/m 10 +luistervaardigheid


Slide 5 - Diapositive

Aujourd’hui, c’est Lundi  10 mars

Le but du jour:
Je kunt begrijpen wat David over zijn huis vertelt.

Menu du jour:
Introductie Unité 4 
Regarder





Slide 6 - Diapositive

Leerdoelen
Na deze unité kun je
  1. Een eenvoudige vlog over wonen begrijpen
  2. Teksten begrijpen over Franse jongeren en hoe zij wonen
  3. Korte gesprekken over de weg wijzen en wonen begrijpen
  4. Vertellen hoe je kamer eruit ziet
  5. Je kamer, je huis en je woonomgeving beschrijven

Slide 7 - Diapositive

Slide 8 - Diapositive

Introduction de l'unité 4
 

Quiz sur les pages 110-111

timer
5:00

Slide 9 - Diapositive

De titel van unité 4 is:
Tu habites où?
Wat betekent dit?

Slide 10 - Question ouverte

75% van de Fransen woont in de stad.
Waarom?

Slide 11 - Question ouverte

Wat zijn banlieues?

Slide 12 - Question ouverte

Wonen veel mensen in het centrum van de stad in een vrijstaand huis?
A
Ja
B
Nee

Slide 13 - Quiz

Noem naast Parijs nog een grote stad in Frankrijk.

Slide 14 - Question ouverte

Noem drie Franse regio’s.

Slide 15 - Question ouverte

Régions en France

Slide 16 - Diapositive

La maison

Slide 17 - Question ouverte

La cuisine

Slide 18 - Question ouverte

la fenêtre

Slide 19 - Question ouverte

l´escalier

Slide 20 - Question ouverte

le lit

Slide 21 - Question ouverte

l´acenseur

Slide 22 - Question ouverte

de slaapkamer

Slide 23 - Question ouverte

de badkamer

Slide 24 - Question ouverte

Het dorp

Slide 25 - Question ouverte

de bakker

Slide 26 - Question ouverte

Slide 27 - Vidéo

Regarder 
Doel : je kumt begrijpen wat David over zijn huis vertelt en hoe je in het Frans de weg wijst.
Exercice 1 compréhension globale

Slide 28 - Diapositive

Slide 29 - Lien

Devoirs
Vous faites( jullie maken): les exercices:1, 2 3,4, à la page 112-113
Apprendre( leren) : appr. 1 et 2 à la page 133

timer
12:00

Slide 30 - Diapositive

Grammaire
  1. Vandaag leren we een nieuw werkwoord...
  2. Welke kennen jullie al???
  3. Être (zijn)
  4. Avoir (hebben)
  5. Regelmatige ww -ER (zoals parler, regarder, écouter, aimer)
  6. Het nieuwe werkwoord is aller, dan kan je vertellen waar je naartoe gaat.

Slide 31 - Diapositive

Le verbe ALLER
Je vais                Ik ga
Tu vas                 Jij gaat
Il/elle va             Hij/zij gaat 
Nous allons      Wij gaan
Vous allez         Jullie gaan
Ils/elles vont    Zij gaan

Slide 32 - Diapositive

Slide 33 - Vidéo

ergens naartoe gaan...
aller à = gaan naar

Achter het vorige rijtje zet je dus gewoon à.

Je vais à            Ik ga naar
Il va à                  Hij gaat naar
Vous allez à     Jullie gaan naar

Slide 34 - Diapositive

Vul de juiste vorm van 'aller' in.
Ils ...... en ville.
A
vont
B
vas
C
va
D
vais

Slide 35 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'aller' in.
Nous ..... manger.
A
vont
B
va
C
allons
D
allez

Slide 36 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'aller' in.
Tu ..... au cinéma?
A
vont
B
vas
C
vais
D
va

Slide 37 - Quiz

Vul de juiste vorm van 'aller' in.
Elle ..... à la maison.

Slide 38 - Question ouverte

Vul de juiste vorm van 'aller' in.
Je ..... faire du tennis.

Slide 39 - Question ouverte

Questions???

Leren : Apprendre 1,2 en 3
***

Slide 40 - Diapositive