Taal 17 april

Taal
1 / 17
suivant
Slide 1: Diapositive
TaalBasisschoolGroep 5

Cette leçon contient 17 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min

Éléments de cette leçon

Taal

Slide 1 - Diapositive

Doel

Ik weet wat een bijwoord is.

Slide 2 - Diapositive

Wat is een bijwoord?
Een bijwoord geeft informatie over 

een bijvoeglijk naamwoord of een werkwoord.

Slide 3 - Diapositive

Even opfrissen
Bijvoeglijk naamwoord
Geeft extra informatie over een mens, dier, ding. (zelfstandig naamwoord)

Ik koop een mooie tas.

Mooie geeft extra informatie over een ding (tas) en is daarom een bijvoeglijk naamwoord.

Slide 4 - Diapositive

Slide 5 - Diapositive

Even opfrissen
Werkwoord
Geeft aan wat iemand of iets doet.

Ik koop een mooie tas.

Koop geeft informatie wat ik (iemand) doe en is dus een werkwoord.

Slide 6 - Diapositive

Slide 7 - Diapositive

Een bijwoord zegt iets over...

  • waar iets is (plaats)
  • wanneer iets is (tijd)
  • hoe-vragen

Slide 8 - Diapositive

Waar iets is. De plaats.
Daar staat de prullenbak.

—> Daar vertelt waar de plek van de prullenbak is en is dus een bijwoord.

Andere woorden die een plaats aangeven: 
hier, er, ergens, nergens.

Slide 9 - Diapositive

Wanneer  -  De tijd
Vandaag gaan we rekenen.

—> Vandaag vertelt wanneer je gaat rekenen en is dus een bijwoord.

Het was gisteren lekker weer.

—> Gisteren vertelt jou wanneer het lekker weer was en is dus een bijwoord.

Slide 10 - Diapositive

Hoe-vragen
De auto rijdt hard.
—> Hoe rijdt de auto? Hard en is dus een bijwoord.

Het meisje zingt mooi.
—> Hoe zingt het meisje? Mooi en is dus een bijwoord.

Slide 11 - Diapositive

Slide 12 - Diapositive

Binnenkort gaan we de kidsrun lopen.

Wat is het bijwoord?
A
Binnenkort
B
Gaan
C
We
D
Lopen

Slide 13 - Quiz

Luuk heeft nogal een slimme moeder

Wat is het bijwoord?
A
Heeft
B
Nogal
C
Slimme
D
Moeder

Slide 14 - Quiz

Meis fietst hard door de straat.

Wat is het bijwoord?
A
Fietst
B
Hard
C
Door
D
Straat

Slide 15 - Quiz

De cake moet lang in de oven

Wat is het bijwoord?
A
Cake
B
Moet
C
Lang
D
Oven

Slide 16 - Quiz

Blok 7 week 1 les 4
Maak opgave 1,2, 10+

Klaar?
- Je werkt in je werkpakket. 10 opgaven per doel.

Je werkt ongeveer 30 minuten.
timer
30:00

Slide 17 - Diapositive