werkwoord to be

By the end of this lesson...
…you know how to use ‘to be’ in affirmative (bevestigende) sentences. 
 …you know how to use ‘to be’ in question (vragende) sentences. 
…you know how to use ‘to be’ in negatives (negatieve) sentences. 
…you know how to abbreviate (verkorten) ‘to be’. 
1 / 37
suivant
Slide 1: Diapositive
EngelsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

Cette leçon contient 37 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 2 vidéos.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

By the end of this lesson...
…you know how to use ‘to be’ in affirmative (bevestigende) sentences. 
 …you know how to use ‘to be’ in question (vragende) sentences. 
…you know how to use ‘to be’ in negatives (negatieve) sentences. 
…you know how to abbreviate (verkorten) ‘to be’. 

Slide 1 - Diapositive

Welke vorm can 'to be' moet op de plek van het rode vakje in de volgende film quotes.
am
are
is

Slide 2 - Question de remorquage

To be: voorbeelden
'To be' is een van de belangrijkste werkwoorden in de Engelse taal. 
Kijk naar de volgende zinnen:

I am twelve years old.
They are busy tonight. 
It is very cold outside.
You are going to the party.
We are tired.

Slide 3 - Diapositive

To be: verkorte vormen
Je kunt de vervoegingen van 'to be' ook opschrijven in een verkorte vorm:


I am happy. --> I'm happy.
You are happy. --> You're happy. 
He is happy. --> He's happy.

Slide 4 - Diapositive

To be: You _____ (to be) a student.
A
am
B
are
C
is

Slide 5 - Quiz

They ... (to be) happy to be here
A
are
B
am
C
is

Slide 6 - Quiz

To be:
We...
A
is
B
am
C
are

Slide 7 - Quiz

To be:
They...
A
are
B
am
C
is

Slide 8 - Quiz

To be:
He...
A
are
B
am
C
is

Slide 9 - Quiz

To be: You _____ (to be)hungry
A
am
B
are
C
is

Slide 10 - Quiz

To be: I
A
are
B
am
C
is

Slide 11 - Quiz

To be:
Peter
A
are
B
am
C
is

Slide 12 - Quiz


To be:
... it going to be a difficult test?
A
am
B
to be
C
are
D
is

Slide 13 - Quiz

Choose the correct form of to be:

I ... tired (to be)
A
is
B
are
C
am
D
have

Slide 14 - Quiz

To be =
A
hebben
B
zijn
C
doen

Slide 15 - Quiz

To be (te zijn)
you
A
Be
B
is
C
are
D
am

Slide 16 - Quiz

He ______ (not/ to be) happy to be here.
A
am not
B
are not
C
is not

Slide 17 - Quiz

Katy and Peter ... (to be) happy to be here.
A
are
B
am
C
is

Slide 18 - Quiz

What about questions with 'to be'?

Slide 19 - Diapositive

To be: vragend
Wanneer we een zin met 'to be' vragend maken, zetten we de vorm van 'to be' vooraan de zin.

I am happy.
You are happy. 
He is happy.


Slide 20 - Diapositive

To be: vragend
Wanneer we een zin met 'to be' vragend maken, zetten we de vorm van 'to be' vooraan de zin.

I am happy.--> Am I happy?
You are happy. --> Are you happy?
He is happy.  --> Is he happy?


Slide 21 - Diapositive

Turn the following sentence into a question:
"She is cooking pasta."

Slide 22 - Question ouverte

Make a question (?)
The door is green.

Slide 23 - Question ouverte

Make a question:
Tommy is happy.

Slide 24 - Question ouverte

Make a question:
She was sick.

Slide 25 - Question ouverte

What about negatives with 'to be'?


Negatives = ontkenningen!

Slide 26 - Diapositive

To be: ontkennend
Wanneer we een zin met 'to be' ontkennend maken, plakken we 'not' achter de vorm van 'to be'. 

I am happy. 
You are happy. 
He is happy. 


Slide 27 - Diapositive

To be: ontkennend
Wanneer we een zin met 'to be' ontkennend maken, plakken we 'not' achter de vorm van 'to be'. 

I am not happy. 
You are not happy. 
He is not happy.


Slide 28 - Diapositive

Turn the following sentence into a negative sentence:
"She is cooking pasta."

Slide 29 - Question ouverte

Slide 30 - Vidéo

werkwoord to be

Slide 31 - Diapositive

Les doel
  • Je leert hoe je het werkwoord to be (zijn) kunt gebruiken,
  • Je leert bij de ik, jij, hij, het, wij en zij vorm de juiste to be werkwoord te kiezen,
  • Je kiest zelf of je eerst met de makkelijke- of moeilijke opdracht begint.
  • Het lukt je om zelfstandig te starten.

Slide 32 - Diapositive

Slide 33 - Vidéo

Maak zelfstandig de opdrachten.
Je mag zelf kiezen waar je begint, met de makkelijke of de iets moeilijkere opdracht.
timer
1:00

Slide 34 - Diapositive

Zijn de lesdoelen behaald?

  • Je weet het werkwoord to be bij de juiste persoon/personen te gebruiken.
  • Je hebt zelf de keuze gemaakt met welke opdracht je bent gaan starten, makkelijk/moeilijk.
  • Trots op jezelf zijn, omdat het je zelfstandig(bijna) is gelukt.

Slide 35 - Diapositive

Ik begrijp nu hoe het werkwoord to be werkt.
😒🙁😐🙂😃

Slide 36 - Sondage

Over to you...

Slide 37 - Diapositive