H3 en V3 delend lidwoord

Planning d'aujourd'hui Vendredi le 4 avril
  • Grammaire D - chapitre 5 
  • Faire les exercices grammaire D 


1 / 18
suivant
Slide 1: Diapositive
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

Cette leçon contient 18 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Planning d'aujourd'hui Vendredi le 4 avril
  • Grammaire D - chapitre 5 
  • Faire les exercices grammaire D 


Slide 1 - Diapositive

Grammaire






Het delend lidwoord.

Een woord dat in het Nederlands.. niet bestaat?!



Slide 2 - Diapositive

l'article partitif = delend lidwoord
(bestaat niet in het Nederlands, dus niet te vertalen)
du, de la, des, de l'

Slide 3 - Diapositive

Het delend lidwoord

Hij bestaat niet in het Nederlands!

Nederlands: geen lidwoord voor het zelfstandig naamwoord..?
Dan in het  Frans: delend lidwoord.


Bijvoorbeeld; Ik eet chocola

Je mange du chocolat.

Slide 4 - Diapositive

Wanneer?


Par exemple:
Hij koopt appels - geen lidwoord voor "appels" in de Nederlandse zin.

In een Franse zin gebruik je dan wel een lidwoord of delend lidwoord; DES pommes
Als er in het Nederlands geen lidwoord staat voor het zelfstandig naamwoord.

Slide 5 - Diapositive

Vormen van het delend lidwoord
Du = mannelijke woorden: du coca
De la = vrouwelijke woorden: de la limonade

De l' = bij klinker of h: de l'eau
Des = meervoud: des pommes
Let op: de + le = du

Slide 6 - Diapositive

Het delend lidwoord



         J'ai pris du jambon               -               Ik heb ham genomen
Tu veux de la salade             -              Wil je sla/salade? 

Wel een getal? Of een ontkenning? Gebruik dan "de".
Als er in het Nederlands geen lidwoord of geen getal voor het zelfstandig naamwoord staat, komt er in het Frans een delend lidwoord (du/de la/de l' of des) voor het znw. 

Slide 7 - Diapositive

Slide 8 - Vidéo



'Ik ontbijt met kaas.'
Kies de juiste vertaling.
A
Je déjeune avec du fromage.
B
Je déjeune avec le fromage.

Slide 9 - Quiz



'Wil je kip?'

A
Tu veux du poulet ?
B
Tu veux des poulet ?
C
Tu veux de la poulet ?

Slide 10 - Quiz


Lees de zin: 'Ik wil drie hamburgers.'
Kies nu de juiste vertaling.
A
Je veux trois des hamburgers
B
Je veux trois hamburgers.

Slide 11 - Quiz


'Heb je jam gegeten?'
Kies het juiste antwoord.
A
Tu as mangé de la confiture ?
B
Tu as mangé la confiture ?

Slide 12 - Quiz

DE L'
DES
DE
DES
Je mange ........... fruits.
Tu donnes ......... cadeaux.
Il achète 3 kilos ...... pommes
Il boit ...... eau

Slide 13 - Question de remorquage



Let goed op deze zin: 'Ik wil een kilo appels'
Kies de juiste vertaling.
A
Je veux un kilo des pommes.
B
Je veux un kilo de pommes.

Slide 14 - Quiz


'Er is geen olie meer.'
Kies de juiste vertaling.
A
Il n'y a plus d'huile.
B
Il n'y a plus de l'huile.

Slide 15 - Quiz

Sleep de delend lidwoorden naar de juiste zinnen.
Je mange ... croissants.
Elle boit ... eau minérale.
Ils achètent ... pain.
Elle n'a pas ... chips.
On a peu ... argent
du
d'
de
des
de l'

Slide 16 - Question de remorquage


Gelukt om het te begrijpen?
😒🙁😐🙂😃

Slide 17 - Sondage

À faire 
Faire les exercices de grammaire D : het delend lidwoord 
Chapitre 5 

Slide 18 - Diapositive