Lesson 1 Unit 5

Leave everything in your bag!
1 / 47
suivant
Slide 1: Diapositive
EngelsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

Cette leçon contient 47 diapositives, avec diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 80 min

Éléments de cette leçon

Leave everything in your bag!

Slide 1 - Diapositive

Slide 2 - Diapositive

  • Taking the register
  • Learning goals
  • Newsround
  • What do you need?
  • Unit preview


  • Warm up
  • Let's get to work
  • Exit ticket
  • Game time
  • Homework


Slide 3 - Diapositive

Slide 4 - Diapositive

  • Informatievaardigheden: Je kunt informatie interpreteren, analyseren en synthetiseren (samenvoegen, in verband brengen).
  • A2.2: Je kunt een korte bevestiging van gemaakte afspraken schrijven.
  • A2.2: Je kunt eenvoudige notities en aantekeningen maken voor jezelf.

Slide 5 - Diapositive

Slide 6 - Diapositive

        iPad
   Workbook 
          B
   Notebook
 Pen + pencil
   Earphones

Slide 7 - Diapositive

Unit 5 - Sports

Slide 8 - Diapositive

  • to be (past simple)
  • past simple (regelmatige werkwoorden)
  • plural
  • could <> couldn't
  • bezit ('s / ' )
  • zinsvolgorde

Slide 9 - Diapositive

  • Aan het eind van dit hoofdstuk kun je:
  • vragen om informatie
  • informatie geven
  • iets beschrijven
  • vragen of iemand iets wil herhalen of langzamer wil praten
  • vragen hoe iets heet of wat iets betekent
  • iets vertellen over jezelf
  • een sport beschijven
  • beginnen en eindigen van een presentatie

Slide 10 - Diapositive

Slide 11 - Diapositive

Slide 12 - Diapositive

Slide 13 - Diapositive

Slide 14 - Vidéo


  1. a) Popular sports in Britain
  2. c) Wembley
  3. d) Wimbledon
  4. b) Golf
  5. a) The Thames
  6. a) Lord's
  7. d) Walking
  8. c) Over 20,000
  9. a) Curling
  10. b) Croquet

Slide 15 - Diapositive

 Wat doe je?
 Wanneer?
  • Check: pictures, charts, numbers, punctuation marks (?, !, %, (), etc., Italics, bold, underlined or colour.)

  • Bij vragen naar bepaalde informatie.

  • Als de vraag bijvoorbeeld is hoeveel iets kost, ga je op zoek naar bedragen.

Slide 16 - Diapositive


Scan: Ultimate Frisbee, page 50+51, workbook B

          

Do: Exercise 4, page 52, workbook B           

           Let op: je kijkt alleen maar naar de tekst, 
                        je hoeft de tekst dus nog niet te lezen!
Scan: Ultimate Frisbee, page 50+51, workbook B



Do: Exercise 4, page 52, workbook B
timer
3:00

Slide 17 - Diapositive

Slide 18 - Diapositive

Exercise 4, page 52

  • 1. Tekst A: een advertentie voor Ultimate Frisbee-trainingen
  • 2. Tekst B: een uitleg over de geschiedenis van Ultimate Frisbee en hoe je het moet spelen
  • 3. Tekst C: een persoonlijk verhaal van een Ultimate Frisbee-speler.

  • Ultimate frisbee

Slide 19 - Diapositive

 Wat doe je?
 Wanneer?
  • Je neemt de tekst woord voor woord, regel voor regel, door.

  • Als er in een vraag regelnummers gegeven worden, is het vaak de bedoeling dat je de gehele alinea intensief leest.

Slide 20 - Diapositive


Scan: Ultimate Frisbee, page 50+51, workbook B

          

Do: Exercise 4, page 52, workbook B           

Read: Ultimate Frisbee, page 50+51, workbook B
Do: Exercise 5+6, page 52+53, workbook B
timer
5:00

Slide 21 - Diapositive

Slide 22 - Diapositive

Exercise 5, page 52

  • 1. true  
  • 2. false
  • 3. true

  • 4. true
  • 5. false

  • 6. false
  • 7. true

  • 1. True – Op de poster staat mixed competition, dus jongens en meisjes samen.
  • 2. False – Op de poster staat non-contact, dus dat is een duidelijk verschil met rugby en American football.
  • 3. True – De trainingen zijn op dinsdag en donderdag, dus twee keer per week.
  • 4. True – Twee teams van zeven spelers is veertien spelers.
  • 5. False – Er is bij Ultimate géén scheidsrechter. In de tekst staat: no referee.
  • 6. False – Over voetbal zegt Samantha: It wasn't really my game. Dus dat vond ze  niet echt leuk. Ultimate vond ze meteen heel erg leuk: I loved it immediately.
  • 7. True – Ze waren niet heel goed, maar wonnen uiteindelijk wel: we did win in the end.
       

Slide 23 - Diapositive

Exercise 6, page 53
  • 1. Studenten gooiden de metalen borden waarop de taarten lagen, naar elkaar.
  • 2. Hij is makkelijker te vangen. (Hij was niet lichter!)
  • 3. Je kunt scoren door de frisbee te vangen in de eindzone.
  • 4. Je gooit de frisbee naar elkaar, in de richting van de eindzone. Als je hem vangt, mag je niet meer lopen, maar moet je gooien. Als je hem niet vangt, mag de tegenpartij hem pakken.

Slide 24 - Diapositive

vocabulary 5.1

Slide 25 - Diapositive

Slide 26 - Diapositive

Slide 27 - Diapositive

Slide 28 - Diapositive


Study: vocabulary 5.1

Do: Exercise 7-9, page 53+54, Workbook B           

In je boek

Slide 29 - Diapositive

Slide 30 - Diapositive

Exercise 7-9, page 53+54
  • 1. difficult
  • 2. decide
  • 3. immediately
  • 1 a player
  • 2. a frisbee
  • 3. the frisbee
  • 4. a frisbee
  • 5. player
  • 1. catch
  • 2. invent
  • 3. lighter
  • 4. score a goal
  • 5. twice
  • 6. referee
  • 7. Throw
  • 8. immediately
  • 9. difficult

Slide 31 - Diapositive

Slide 32 - Diapositive

to be - past simple

Slide 33 - Diapositive

  •  I / he / she / it > ... was ...
  •  you / we / they > ... were ...
to be - past simple
zijn - verleden tijd

  • I / he / she / it > Was  ...?
  • you / we / they > Were ...?
 
  • I / he / she / it > ... wasn't ...
  • you / we / they > ... weren't ...

Slide 34 - Diapositive

Slide 35 - Diapositive

  •  I / he / she / it > ... was ...
  •  you / we / they > ... were ...
to be - past simple
zijn - verleden tijd

  • I / he / she / it > Was  ...?
  • you / we / they > Were ...?
 
  • he / she / it > ... wasn't ...
  • I / you / we / they > ... weren't ...

Slide 36 - Diapositive


Study: to be (past simple)

Do: Exercise 10+11, page 54+55, Workbook B           

In je boek

Slide 37 - Diapositive

Slide 38 - Diapositive

Exercise 10, page 54
  1. were
  2. was
  3. was
  4. weren’t
  5. was
  6. wasn’t
  7. was
  8. weren’t
  9. were

Slide 39 - Diapositive

Exercise 11, page 55
  • My brother ... at the football match. > was
  • Sacha and Fleur ... at the game. > weren't
  • It ... a wonderful meal. > was
  • They ... in London last month. > were
  • Amy ... listening to Donny. > wasn't
  • ... they on time yesterday? > Were
  • Jess ... at Sophie's flat. > was                         
  • .... Donnie's rules boring? > Were
  • She ... a great player. > was
  • It ... easy. > wasn't
  • He ... the coolest quarterback ever. > was       

Slide 40 - Diapositive

Slide 41 - Diapositive


- vocab 5.1
- to be - past simple      

Slide 42 - Diapositive

      Wait for            Push your chair         Throw away
      the bell             under the table            your litter
Thanks for your attention

Slide 43 - Diapositive

Do: Exercise .., page .., workbook ..
timer
5:00

Slide 44 - Diapositive

Do: Exercise .., page .., workbook ..
Do: Exercise .., page .., workbook ..

Slide 45 - Diapositive

vocabulary 5.1

Slide 46 - Diapositive

 Wat doe je?
  • Check: pictures, charts, numbers, punctuation marks     (?, !, %, (), etc., Italics, bold, underlined or colour.)
 Wanneer?
  • Bij vragen naar bepaalde informatie, ga je scannenAls de vraag bijvoorbeeld is hoeveel iets kost, ga je op zoek naar bedragen.

Slide 47 - Diapositive