H5 tekstdoelen en leespubliek

Lezen H5 
Nieuw Nederlands
Tekstdoelen
1 / 23
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

Cette leçon contient 23 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min

Éléments de cette leçon

Lezen H5 
Nieuw Nederlands
Tekstdoelen

Slide 1 - Diapositive

Doel van de les
Je kent de 4 tekstdoelen 
Je kunt de 4 tekstdoelen herkennen
Je kan doelen van programma's bepalen.

Slide 2 - Diapositive

welke tekstdoelen ken je?

Slide 3 - Carte mentale

Tekstdoelen
Wat is een tekstdoel?
- Het doel dat de schrijver met zijn tekst wil bereiken.
Je leert er vier:
- informeren 
- Amuseren 
- Overtuigen 
- Activeren 

Slide 4 - Diapositive

Tekstdoelen

Slide 5 - Diapositive

Informeren
Amuseren

Slide 6 - Diapositive

Overtuigen
Activeren

Slide 7 - Diapositive

Welke 2 antwoorden horen bij informeren?
A
werkelijkheid
B
verzonnen
C
Dagboek van een muts
D
recept van appeltaart

Slide 8 - Quiz

Welke 2 antwoorden horen bij amuseren?
A
werkelijkheid
B
verzonnen
C
nieuwsbericht in de krant
D
kort stripverhaal in de krant

Slide 9 - Quiz

Slide 10 - Diapositive

Slide 11 - Diapositive

Slide 12 - Diapositive

Slide 13 - Diapositive

Slide 14 - Diapositive

Wat wordt er bedoeld met het tekstdoel?
A
Voor wie de tekst bedoeld is.
B
Dat ik -u- en -jij- gebruik in mijn tekst.
C
Waarom ik de tekst schrijf.
D
Waar de tekst vandaan komt.

Slide 15 - Quiz

Een advertentie hoort bij het tekstdoel:
A
Activeren
B
Amuseren
C
Informeren
D
Overtuigen

Slide 16 - Quiz

Een strip hoort bij het tekstdoel:
A
Informeren
B
Amuseren
C
Instrueren
D
Overtuigen

Slide 17 - Quiz


Wat is het belangrijkste

TEKSTDOEL van deze tekst?
A
Informeren
B
Overhalen
C
Amuseren
D
Activeren

Slide 18 - Quiz


Wat is het belangrijkste

TEKSTDOEL van deze tekst?
A
Informeren
B
Overtuigen
C
Amuseren
D
Activeren

Slide 19 - Quiz


Wat is het belangrijkste TEKSTDOEL bij deze tekst?
A
Informeren
B
Activeren
C
Amuseren
D
Overtuigen

Slide 20 - Quiz

Leespubliek
Een schrijver schrijft zijn tekst voor lezers. Die noem je het leespubliek.

Aan het onderwerp, de woordkeus, de zinsbouw, de plaatjes en de bron kun je vaak zien voor welk leespubliek de tekst is geschreven.

Slide 21 - Diapositive

Ga aan de slag met je opdrachten. Succes!

Slide 22 - Diapositive

Aan de slag:
Bespreken huiswerk (opdracht 3 blz. 133-134) Klassikaal
Doelen van programma's bespreken Denken-Delen- Uitwisselen

Slide 23 - Diapositive