Welk getal moet op de plek van het vraagteken staan?
200
?
A
100
B
750
C
200
D
1
Slide 10 - Quiz
Sanne koopt 750 gram zalmfilet. Zalmfilet kost €3,80 per 200 gram. Bereken hoeveel Sanne moet betalen.
(Tip: maak een tabel in je schrift.)
Slide 11 - Question ouverte
Bij Kruidvat kost 200 gram snoep €1,70. Hoeveel kost 700 gram snoep? Tip: maak de tabel in je schrift.
Slide 12 - Question ouverte
In een pot pindakaas van 650 gram zit 520 gram pinda's. Bereken hoeveel gram pinda's in een pot pindakaas van 350 gram zit. Tip: maak de tabel in je schrift.
Slide 13 - Question ouverte
Marit koopt 320 gram noten. Per 1000 gram kost dit €3,25. Hoeveel moet ze betalen?
Tip: Maak de tabel in je schrift.
Slide 14 - Question ouverte
Een groothandel krijgt een levering van 100 iPhones binnen. Hiervan zijn er 70 wit. De rest is zwart. Welk deel is wit?
A
70100
B
10030
C
7035
D
10070
Slide 15 - Quiz
Een groothandel krijgt een levering van 100 iPhones binnen. Hiervan zijn er 70 wit. De rest is zwart. Welk deel is zwart?
A
70100
B
10030
C
7035
D
10070
Slide 16 - Quiz
Een groothandel krijgt een levering van 100 iPhones binnen. Van de levering zijn 3 iPhones nodig om in de winkel te gebruiken. Welk deel van de levering is dat?
A
70100
B
1003
C
7035
D
10030
Slide 17 - Quiz
Welk deel van de 100 hokjes zijn rood?
A
30
B
1003
C
10030
D
10070
Slide 18 - Quiz
Hoeveel procent is rood?
A
30%
B
3
C
10030
D
10070
Slide 19 - Quiz
Hoeveel procent is blauw?
A
30%
B
15%
C
10030
D
10070
Slide 20 - Quiz
Hoeveel procent is geel?
A
30%
B
3
C
4%
D
10070
Slide 21 - Quiz
Hoeveel procent is wit?
A
30%
B
75%
C
4%
D
51%
Slide 22 - Quiz
Je kunt 20% van 60 berekenen door 60 te delen door... ?
A
3
B
4
C
5
D
20
Slide 23 - Quiz
Bereken 50% van 300.
A
9
B
15
C
300
D
150
Slide 24 - Quiz
Bereken 12,5% van 400.
A
9
B
15
C
50
D
150
Slide 25 - Quiz
Bereken 10% van 900.
A
9
B
90
C
300
D
9000
Slide 26 - Quiz
Bereken 30% van 900.
Tip: Gebruik je antwoord van de vorige opdracht.
A
9
B
90
C
300
D
270
Slide 27 - Quiz
Bereken 75% van 600.
Tip: Bereken eerst 25%.
A
450
B
150
C
300
D
270
Slide 28 - Quiz
Een bioscoopzaal heeft plaats voor 138 mensen. Voor vrijdag zijn 66 van de stoelen al gereserveerd. Hoeveel stoelen zijn dit?
32
A
46
B
92
C
72
D
85
Slide 29 - Quiz
Sluit deze les en open 'Test leerdoelen 3, 4 en 5' om te kijken of je deze leerdoelen beheerst.