Oefentoets Ademhaling en uitscheiding en gezondheid jan 2023

Formatieve toets gezondheid, gaswisseling en uitscheiding
Maak deze toets alleen en in stilte.

Gebruik je BINAS waar nodig!

Kom je iets tegen waarvan je denkt: 'Poeh, geen idee!' 
of 'Nog nooít van gehoord!' --> schrijf dit in je schrift!!

1 / 36
suivant
Slide 1: Diapositive
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

Cette leçon contient 36 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min

Éléments de cette leçon

Formatieve toets gezondheid, gaswisseling en uitscheiding
Maak deze toets alleen en in stilte.

Gebruik je BINAS waar nodig!

Kom je iets tegen waarvan je denkt: 'Poeh, geen idee!' 
of 'Nog nooít van gehoord!' --> schrijf dit in je schrift!!

Slide 1 - Diapositive

Diffusie van een stof gaat altijd...
A
van een hoge naar een lage concentratie, vanzelf
B
van een lage naar een hoge concentratie, vanzelf
C
van een hoge naar een lage concentratie, kost energie
D
van een lage naar een hoge concentratie, kost energie

Slide 2 - Quiz

Welke spieren hebben welke taak?
Inademen
Uitademen
Binnenste tussenribspieren
Buitenste tussenribspieren
Midden-rif
Buikspieren
Nekspieren

Slide 3 - Question de remorquage

Waar zit het ademcentrum in de hersenen en wat is de belangrijkste prikkel voor het ademcentrum?
A
grote hersenen, concentratie O2 in bloed
B
grote hersenen, concentratie CO2 in bloed
C
hersenstam, concentratie O2 in bloed
D
hersenstam, concentratie CO2 in bloed

Slide 4 - Quiz

Hoe kan een plant zich beschermen tegen uitdroging?
A
dikke waslaag, weinig huidmondjes,behaarde bladeren
B
verzonken huidmondjes behaarde bladeren, dikke waslaag
C
klein bladoppervlak huidmondjes onderkantblad,
D
zowel a,b als c

Slide 5 - Quiz

Bij welke longaandoening worden de luchtwegen nauwer, door samentrekkende spiertjes in luchtpijptakjes?
A
astma
B
COPD

Slide 6 - Quiz

Welke stof wordt via de huidmondjes opgenomen?
A
Koolstofdioxide
B
Mineralen
C
Water
D
Suikers

Slide 7 - Quiz

Als je veel hebt gedronken, maken de nieren... urine aan, deze urine is dan … van kleur
A
veel, donkergeel
B
weinig, donkergeel
C
veel, lichtgeel
D
weinig, lichtgeel

Slide 8 - Quiz

Van welke bloeddeeltjes worden er meer gemaakt als de nieren EPO afgeven?
A
bloedplaatjes
B
rode bloedcellen
C
witte bloedcellen

Slide 9 - Quiz

In de nieren worden verschillende stoffen uit het bloed verwijderd en met de urine uitgescheiden. Hiernaast wordt onder andere een nier weergegeven.
Welke letter geeft een plaats aan waar urine stroomt?
P is een slagader
Q is een ader
R is de urineleider, die brengt urine van de nier naar de blaas
A
letter P
B
letter Q
C
letter R

Slide 10 - Quiz

De huid beschermt tegen sterk afkoelen door...
A
zweet te produceren
B
bloedvaatjes in de huid te verwijden
C
bloedvaatjes in de huid te vernauwen
D
pigment te maken

Slide 11 - Quiz

Instromend bloed
Voor- urine
uitstromend bloed
urine
Is nog ongezuiverd
Bijna hetzelfde als bloedplasma
Bevat weinig ureum, gezuiverd
Bevat het meeste ureum

Slide 12 - Question de remorquage

Wat is waar over de samenstelling van voorurine?
A
deze is exact hetzelfde als bloedplasma
B
deze lijkt op bloedplasma, maar zonder de bloedcellen
C
deze lijkt op bloedplasma, maar zonder bloedcellen en eiwitten
D
deze is ongeveer hetzelfde als weefselvloeistof

Slide 13 - Quiz

De resorptie van glucose door het nierbuisje gebeurt via actief transport. Wat is waar?
A
Het kost vrijwel geen energie
B
Het gaat vanzelf, met de concentratie mee
C
Het kost energie in de vorm van ATP
D
Het kost energie in de vorm van warmte

Slide 14 - Quiz

Wat meten de osmoreceptoren in de hypothalamus?
A
De zoutconcentratie
B
De glucoseconcentratie
C
De concentratie van alle opgeloste stoffen samen
D
De eiwitconcentratie

Slide 15 - Quiz

Als je heel zoute drop gegeten hebt, krijg je dan veel of weinig ADH in je bloed? Waarom?
A
Veel ADH want dat stimuleert de uitscheiding van water
B
Veel ADH want dat remt de uitscheiding van water
C
Weinig ADH want dat stimuleert de uitscheiding van water
D
Veel ADH want dat remt de uitscheiding van water

Slide 16 - Quiz

welke kracht of elke energiebron zorgt voor ultrafiltratie?
A
ATP
B
osmose
C
diffusie
D
bloeddruk

Slide 17 - Quiz

Is bij onbehandelde diabetes de bloedsuikerspiegel meestal te hoog of te laag?
A
Te hoog, dat heet 'een hypo'
B
Te laag, dat heet 'een hypo'
C
Te hoog, dat heet 'een hyper'
D
Te laag, dat heet 'een hyper'

Slide 18 - Quiz

Waar wordt in een gezond persoon insuline gemaakt? En glucagon?
A
Insuline in de lever en glucagon in de alvleesklier
B
Beide in de nieren
C
Insuline in de alvleesklier en glucagon in de lever
D
Beide in de alvleesklier

Slide 19 - Quiz

Verbranding in de cellen
Gebruik BINAS voor deze vraag
Schildklierhormoon (T3 of T4)
TSH
TRH
Remt
Stimuleert

Slide 20 - Question de remorquage

In welk deel van je huid
wordt de tattoo inkt
ingebracht?
A
Opperhuid: hoornlaag
B
Opperhuid: kiemlaag
C
Lederhuid
D
Onderhuids bindweefsel

Slide 21 - Quiz


Afweer kan onder andere gebeuren door:
1 maagzuur; 2 fagocyten; 3 huid.
In welke situatie is er sprake van aspecifieke afweer?
A
alleen 1
B
alleen 3
C
alleen 1 en 3
D
zowel 1, 2 als 3

Slide 22 - Quiz

Antibiotica zijn medicijnen die werken tegen infectieziekten door bacteriën. Welk celonderdeel van de bacterie wordt (meestal) beschadigd door de antibiotica?
A
celwand
B
celkern
C
cytoplasma
D
DNA

Slide 23 - Quiz

Wat is resistentie tegen antibiotica?
A
Het ongevoelig worden van je lichaam voor een ziekteverwekker
B
Het ongevoelig worden van je lichaam voor antibiotica
C
Je lichaam produceert antistoffen tegen een bepaalde ziekteverwekker
D
Het ongevoelig worden van een ziekteverwekker voor bepaalde antibiotica

Slide 24 - Quiz

Levend 
Levenloos
Kunnen bestreden worden met antibiotica
Antibiotica werkt niet
Delen zelf
Delen mbv gastcel
Virus
Bacterie

Slide 25 - Question de remorquage

Waarom vormen antistoffen de 'specifieke' afweer?
A
Deze stoffen kunnen ziekteverwekkers van verre opsporen
B
Één type antistof kan gericht één type ziekteverwekker uitschakelen
C
Omdat deze stoffen op alle ziekteverwekkers passen

Slide 26 - Quiz

Als je het COVID-19 doormaakt en beter wordt dan is dat een vorm van....
A
Kunstmatige passieve immuniteit
B
Kunstmatige actieve immuniteit
C
Natuurlijke passieve immuniteit
D
Natuurlijke actieve immuniteit

Slide 27 - Quiz

Een nadeel van passieve immuniteit is...
A
het is duur omdat het maken van antistoffen duur is
B
het is kortdurend omdat de antistoffen na een aantal weken afgebroken worden
C
het is kortdurend omdat de antistoffen maar kort aangemaakt worden door je lichaam
D
het is gevaarlijk om antistoffen in je lichaam te spuiten

Slide 28 - Quiz


Karel wil zijn bloedgroep weten. Bij een bloedgroepentest op A, B en de Rhesusfactor is er alleen klontering bij anti-B.
Wat is Karel zijn bloedgroep?
A
B+
B
B-
C
A+
D
A-

Slide 29 - Quiz

Iemand heeft bloedgroep A en wil zijn nier aanbieden aan iemand met bloedgroep B. Dit kan niet omdat?
A
Bloedgroep B bevat anti-A.
B
Bloedgroep B bevat anti-B.
C
Bloedgroep B bevat antigeen-A.
D
Bloedgroep B bevat antigeen-B.

Slide 30 - Quiz

Het HIV-virus vernietigt de verworven afweer.
Welke cellen valt het virus aan?
A
cytotoxische T lymfocyten
B
B lymfocyten
C
T helper lymfocyten
D
Macrofagen

Slide 31 - Quiz

Een seropositief persoon heeft in z'n bloed HIV-DNA en antistoffen tegen HIV. In welk bestanddeel van het bloed zit het HIV-DNA en in welke de antistoffen tegen HIV?
A
HIV-DNA in rode bloedcellen en antistoffen in bloedplasma
B
HIV-DNA in witte bloedcellen en antistoffen in bloedplasma
C
HIV-DNA in rode bloedcellen en antistoffen in witte bloedcellen
D
HIV-DNA in witte bloedcellen en antistoffen in rode bloedcellen

Slide 32 - Quiz

Bij Daan wordt vermoed dat hij allergisch is voor stoffen uit kippeneieren. Bij onderzoek wordt Daans bloed gemengd met eiwitten uit eieren. Stoffen in zijn bloed binden zich aan deze eiwitten. Dit is een aanwijzing voor ei-allergie.

Hoe heten de stoffen in het bloed die zich binden aan de eiwitten uit de eieren?

A
Antistoffen
B
Antigenen
C
Histamines.
D
Allergenen

Slide 33 - Quiz

Wat gebeurt er bij een auto-immuun ziekte?
A
je hebt een allergische reactie
B
je maakt teveel antistoffen aan
C
je bent gevaccineerd met het verkeerde virus
D
je witte bloedcellen vallen je eigen cellen aan

Slide 34 - Quiz

Wanneer bij bijvoorbeeld een transplantatie lichaamsvreemd weefsel in het lichaam terechtkomt, treden processen op die leiden tot chronische afstoting van het weefsel. Na presentatie door een APC wordt door een bepaald type witte bloedcellen het afstotingsproces in gang gezet. Welke?
A
Macrofaag/dendritische cel
B
T-helpercel
C
Cytotoxische T-cel
D
B-cel

Slide 35 - Quiz

Einde van de toets
Als er nog tijd over is, ga dan nog even aan de slag met het huiswerk (14.2) 
of 
ga op biologiepagina.nl nog wat oefenen....

Slide 36 - Diapositive