Leesvaardigheid examen vmbo kader 4

  • Herhaling leesvaardigheid
  • Oefenen
  • Oefenexamen maken
  • Afsluiting
1 / 53
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

Cette leçon contient 53 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 3 vidéos.

Éléments de cette leçon

  • Herhaling leesvaardigheid
  • Oefenen
  • Oefenexamen maken
  • Afsluiting

Slide 1 - Diapositive

Lesdoelen deze les

Aan het eind van deze lessen...
Kun je de belangrijkste examenbegrippen noemen, uitleggen, herkennen:

opbouw van een tekst, functies inleiding+slot, signaalwoorden, tekstdoelen, onderwerp+hoofdgedachte van een tekst, deelonderwerp, kernzinnen, mening-feit-argument.

Slide 2 - Diapositive

Tekstopbouw
  • Titel
  • Inleiding 
  • Kern/ middenstuk
  • Slot
  • Bron

Slide 3 - Diapositive

Waar moet je op letten?
  • Tussenkopjes
  • Alinea's
  • Kernzinnen
  • Tekstverbanden
  • Signaalwoorden
  • Afbeeldingen 

Slide 4 - Diapositive

Onderwerp, deelonderwerp, hoofdgedachte van een tekst

Slide 5 - Diapositive

Onderwerp van een tekst
  • Iedere tekst gaat ergens over. Dat noem je het onderwerp.
  • 1 woord of een groepje woorden. 
  • Nooit een hele zin!

Slide 6 - Diapositive

Deelonderwerp
  • Het onderwerp van een alinea.
  • Waar gaat de alinea over?
  • 1 woord of een groepje woorden.
  • Nooit een hele zin.

Slide 7 - Diapositive

De hoofdgedachte is...
  • Wat zegt de schrijver over het onderwerp?
  • Het is altijd een hele zin, maar nooit een vraag.
  • Een samenvatting van de tekst in 1 zin. 

Slide 8 - Diapositive

Hoe vind je het onderwerp van een tekst?
  • Lees de titel.
  • Lees de inleiding.
  • Lees de tussenkopjes.
  • Kijk naar plaatjes en andersgedrukte woorden. 
  • Stel jezelf de vraag: 'Waar gaat de tekst over?'

Slide 9 - Diapositive

Hoe vind je het deelonderwerp?
  • Lees het tussenkopje (als dat er is).
  • Stel jezelf de vraag: 'Waar gaat de alinea over?'
  • Lees de tussenkopjes (als die er zijn).

Slide 10 - Diapositive

Hoe vind je de hoofdgedachte?
  • Bedenk wat het onderwerp van de tekst is.
  • Stel jezelf de vraag: 'Wat zegt de schrijver over het onderwerp?'

Slide 11 - Diapositive

Functies van inleiding en slot

Slide 12 - Diapositive

Inleiding

De schrijver probeert de aandacht van de lezer te krijgen.

Er zijn verschillende manieren om dat te doen.


Slide 13 - Diapositive

Slot

In het slot rondt de schrijver de tekst af.

Ook dit kan op verschillende manieren.

Slide 14 - Diapositive

Tekstopbouw: Inleiding en slot
Functies  inleiding:
* onderwerp noemen
* de aanleiding noemen
*de centrale vraag stellen
* de mening van de schrijver geven
*een samenvatting
Functies slot:
* conclusie geven
* samenvatting geven
* advies geven
* waarschuwing geven
* toekomstverwachting

Slide 15 - Diapositive

Slide 16 - Diapositive

Je hebt de inleiding gelezen. Wat doet de schrijfster om je aandacht te trekken? (twee antwoorden juist)
A
Ze stelt een vraag.
B
Ze geeft haar mening.
C
Ze geeft een korte samenvatting.
D
Ze vertelt waarom ze de tekst schreef.

Slide 17 - Quiz

Slide 18 - Diapositive

Je hebt de tekst en het slot gelezen. Wat doet de schrijfster om de tekst af te sluiten?
A
Ze geeft een samenvatting.
B
Ze geeft een waarschuwing.
C
Een geeft een conclusie.
D
Ze geeft een advies.

Slide 19 - Quiz

Lees deze inleiding
(1) Ik kan het me niet voorstellen: zonder opgaaf van reden abrupt uit iemands leven verdwijnen. Maar als ik de berichten moet geloven, gebeurt het op grote schaal. Sterker nog: het gebeurt zo vaak dat er in de Verenigde Staten dus een speciale term voor is verzonnen: ghosting. Dit is het abrupt verbreken van contact met iemand – bijvoorbeeld een voormalige romantische partner – door telefoontjes, berichtjes, enzovoort niet langer te accepteren of te beantwoorden.

Slide 20 - Diapositive

Hoe wordt de tekst ingeleid
A
Mening van de schrijfster over het onderwerp
B
een conclusie over het onderwerp van de tekst te trekken
C
een voorbeeld bij het onderwerp van de tekst uit te werken
D
het centrale probleem van de tekst te benoemen

Slide 21 - Quiz

Lees dit slot
(14) Het is dan ook hoog tijd voor nieuwe (on)geschreven regels over hoe we met elkaar omgaan. Regel één lijkt me duidelijk: ‘Gij zult niet ghosten.’

Slide 22 - Diapositive

Hoe wordt de tekst afgesloten?
A
aanbeveling
B
conclusie
C
samenvatting
D
toekomstverwachting

Slide 23 - Quiz

SIGNAALWOORDEN

Slide 24 - Diapositive

Signaalwoorden
voorbeeld
  • zoals 
  • bijvoorbeeld
opsomming
  • en
  • verder
  • ten eerste
  • tenslotte
tegenstelling
  • maar
  • toch
  • echter
  • hoewel
vergelijking
  • net als
  • evenals
  • zoals
reden/verklaring
  • omdat
  • want
  • daarom
oorzaak-gevolg
  • want
  • doordat
  • daardoor
doel-middel
  • daarmee
  • door middel van
voorwaarde
  • als
  • indien
  • tenzij
tijd
  • vroeger
  • intussen 
  • tijdens
samenvatting
  • al met al 
  • geconcludeerd kan worden dat
  • kortom
conclusie
  • dus
  • tot slot

Slide 25 - Diapositive

Slide 26 - Vidéo

TEKSTDOELEN

Slide 27 - Diapositive

Verschillende tekstdoelen
Hoe weet je wat een schrijver wil met een tekst?

Slide 28 - Diapositive

Tekstdoel weten
=
tekst beter begrijpen 

(je weet hoe de tekst eruit zal zien, je kunt al een beetje bedenken wat de inhoud van de tekst zal zijn)

amuseren, informeren, overhalen/ activeren, overtuigen, instrueren
Tekstsoort weten
=
tekst beter begrijpen



krantenartikel, recept, stripverhaal, reclame, recensie, review, flyer, etc.

Slide 29 - Diapositive

Slide 30 - Diapositive

Slide 31 - Diapositive

Slide 32 - Diapositive

Slide 33 - Diapositive

Tekst
Overhalen/

Slide 34 - Diapositive

Slide 35 - Diapositive

Slide 36 - Diapositive

Citeren

Slide 37 - Diapositive

Citeren

Slide 38 - Diapositive

Wat is een goed voorbeeld van een citaat?
A
Mijn leraar zei, jij hebt nu straf!
B
Mijn leraar zei: "Jij hebt nu straf!".
C
"Mijn leraar zei: Jij hebt nu straf!"
D
Mijn leraar zei: jij hebt nu 'straf'.

Slide 39 - Quiz

Wat is een goed voorbeeld van een citaat?
A
"Kom je mee"? zei Lisa
B
Kom je mee, "zei Lisa."
C
"Kom je mee, zei Lisa".
D
"Kom je mee?", zei Lisa.

Slide 40 - Quiz

Feit, mening, argument

Slide 41 - Diapositive

Feit
  • controleerbaar of bewezen
  • waar of onwaar

Vorige week maandag was de vakantie afgelopen. 

We hebben vandaag een toets geschiedenis. 

Slide 42 - Diapositive

Welk van de volgende zinnen is géén feit?
A
Mijn vader is morgen jarig.
B
Spruitjes zijn smerig.
C
De voetbaltraining duurt anderhalf uur.
D
Een hond is een trouw dier.

Slide 43 - Quiz

Welk van de volgende zinnen is een feit?
A
Kinderarbeid zou verboden moeten worden!
B
Dat nieuwe nummer klinkt supergoed!
C
Wat een leuke jas heb je aan!
D
Roken is slecht voor je gezondheid!

Slide 44 - Quiz

Mening
  • Dat wat iemand ergens van vindt. 
  • Anders: standpunt - opinie - visie - overtuiging - stelling

Duitse grammatica is ontzettend moeilijk. 

De Efteling is het leukste pretpark van Nederland.

Slide 45 - Diapositive

Welk van de volgende zinnen is géén mening?
A
Joost is morgen jarig.
B
Dierproeven zijn onnodig.
C
De nieuwe auto van mijn opa is echt een bejaardenkarretje.
D
Sommige kleuren staan jou echt niet.

Slide 46 - Quiz

 Argument
  • Ondersteunt een standpunt. 
  • Te herkennen aan de signaalwoorden omdat, want, namelijk... 

Je zou ook eens naar die winkel moeten gaan, want ze verkopen daar erg goede spullen. 

Slide 47 - Diapositive

Welke zin bevat géén argument?
A
Ik blijf vandaag lekker binnen, want het stormt.
B
Mijn zus is jarig en geeft vanmiddag een feest.
C
Rode auto's zijn stoer, want een Ferrari is ook rood.
D
Omdat hij bang is, durft hij niet in de python.

Slide 48 - Quiz

Verschillende leesstrategieën
  • verkennend lezen
  • globaal lezen
  • precies lezen
  • zoekend lezen
  • kritisch lezen

Slide 49 - Diapositive

Slide 50 - Vidéo

Veel voorkomende fouten

Slide 51 - Diapositive

Tot slot.....
Examentips-->

Slide 52 - Diapositive

Slide 53 - Vidéo