Onderwerp en persoonsvorm horen bij elkaar

Onderwerp en persoonsvorm horen bij elkaar:

Als het onderwerp enkelvoud is, is de persoonsvorm ook enkelvoud.

Als het onderwerp meervoud is, is de persoonsvorm ook meervoud.
1 / 12
suivant
Slide 1: Diapositive
TaalBasisschoolGroep 6

Cette leçon contient 12 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min

Éléments de cette leçon

Onderwerp en persoonsvorm horen bij elkaar:

Als het onderwerp enkelvoud is, is de persoonsvorm ook enkelvoud.

Als het onderwerp meervoud is, is de persoonsvorm ook meervoud.

Slide 1 - Diapositive

Welke drie manieren
ken je om de persoonsvorm
te vinden in een zin?

Slide 2 - Carte mentale

Getal van de zin veranderen.
enkelvoud --> meervoud
meervoud --> enkelvoud

Slide 3 - Diapositive

Slide 4 - Vidéo

Verander het onderwerp in meervoud:
Het meisje loopt met de hond.

Slide 5 - Question ouverte

Verander het onderwerp in enkelvoud:
Onder de tafel liggen de katten.

Slide 6 - Question ouverte

Is de persoonsvorm van de volgende zin enkelvoud of meervoud?
Jullie gaan binnenkort op vakantie.
A
enkelvoud
B
meervoud

Slide 7 - Quiz

Is het onderwerp van de volgende zin enkelvoud of meervoud?
In de kast hangen veel kleren.
A
enkelvoud
B
meervoud

Slide 8 - Quiz

In welke tijd staat de volgende zin en is de persoonsvorm enkelvoud of meervoud?

De vogels vlogen hoog in de lucht.
A
verleden tijd - meervoud
B
tegenwoordige tijd - meervoud
C
verleden tijd - enkelvoud
D
tegenwoordige tijd - enkelvoud

Slide 9 - Quiz

In welke tijd staat de volgende zin en is de persoonsvorm enkelvoud of meervoud?

Op het voetbalveld spelen veel kinderen.
A
verleden tijd - meervoud
B
tegenwoordige tijd - meervoud
C
verleden tijd - enkelvoud
D
tegenwoordige tijd - enkelvoud

Slide 10 - Quiz

In welke tijd staat de volgende zin en is de persoonsvorm enkelvoud of meervoud?

Het vogeltje bouwde een nest.
A
verleden tijd - meervoud
B
tegenwoordige tijd - meervoud
C
verleden tijd - enkelvoud
D
tegenwoordige tijd - enkelvoud

Slide 11 - Quiz

In welke tijd staat de volgende zin en is de persoonsvorm enkelvoud of meervoud?

De schilderijen hingen aan de muur.
A
verleden tijd - meervoud
B
tegenwoordige tijd - meervoud
C
verleden tijd - enkelvoud
D
tegenwoordige tijd - enkelvoud

Slide 12 - Quiz