Lees sandwich: Signaalwoorden die een reden en conclusie aangeven

Vak: Nederlands
Leesvaardigheid
1.
Lesopening
2.
Lesdoel
3.
Terugblik
4. 
Instructie
5.
Begeleid inoefenen
6. 
Zelfstandig werken
7.
Evaluatie
1 / 20
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 2

Cette leçon contient 20 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min

Éléments de cette leçon

Vak: Nederlands
Leesvaardigheid
1.
Lesopening
2.
Lesdoel
3.
Terugblik
4. 
Instructie
5.
Begeleid inoefenen
6. 
Zelfstandig werken
7.
Evaluatie

Slide 1 - Diapositive

Welkom!
Telefoon in de bak.
Neem plaats.
Jas uit.
Op tafel: Werkboek Nederlands of laptop en schrift dicht 
Tas op de grond.
Geen eten of drinken
Presentie!
timer
2:00

Slide 2 - Diapositive

Lesdoel(en)
Aan het einde van deze les kan je:
- signaalwoorden herkennen die een reden of conclusie aageven.

Slide 3 - Diapositive

28 maart 2025
Wat: Par. 3.3
Wanneer: 09:20-10:10
Hoe: Gezamelijk/ zelfstandig werken
Klaar: Par. 3.3 opdrachten maken
HW: Par. 3.3 opdrachten maken
Lesdoel: Zie vorige slide!
Taaldoel: Argumenteren

Slide 4 - Diapositive

Bekend en beniewd
Signaalwoorden 

1. Bekend: Wat weet je al over signaalwoorden?
2. Benieuwd: Wat wil je nog meer weten over signaalwoorden?

timer
3:00

Slide 5 - Diapositive

Signaalwoorden
Woorden die een verband aangeven tussen woorden, zinnen of alinea’s.
Tekstverband: Woorden, zinnen of alinea's hebben met elkaar te maken.

 



Slide 6 - Diapositive

In het woord ‘signaalwoord’ zit ‘signaal’. 
‘Signaal’ is een ander woord voor ‘sein’ of ‘teken’. 
Een signaalwoord geeft jou dus een teken; een sein. 
Het vertelt je dat je op moet letten.

Slide 7 - Diapositive

Signaalwoorden die een reden en conclusie aangeven
Reden: omdat, daarom, aangezien, want, vanwege
"Ik ga vandaag naar de bibliotheek, omdat ik een boek moet inleveren." (reden)
  
Conclusie: dus, concluderend, kortom, al met al, daardoor
"We moeten minder vlees eten, dus het is beter voor het milieu." (conclusie)

Slide 8 - Diapositive

Maak een zin met onderstaande signaalwoorden.
want
vanwege
dus
daarom
al met al
timer
7:00

Slide 9 - Diapositive

Voorbeeldzinnen
  1. Want: Ik heb niet goed getraind voor de wedstrijd, want ik had te weinig tijd.
  2. Vanwege: We moesten de wedstrijd uitstellen vanwege het slechte weer.
  3. Dus: Het regende de hele ochtend, dus de wedstrijd werd uitgesteld naar volgend week.
  4. Daarom: We hebben daarom besloten om binnen een andere activiteit te doen.
  5. Al met al: Al met al hebben we toch een leuk week gehad.

Slide 10 - Diapositive

Signaalwoorden

Slide 11 - Diapositive

Lestaak
Par. 3.3: 
Oefenen met opdrachten 4 + 11

Slide 12 - Diapositive

Lestaak
Par. 3.3: 
Oefenen met opdrachten 1 + 2 + 3 + 5 + 6 +7 + 8 + 9

Slide 13 - Diapositive

Een mening =
A
echt waar
B
persoonlijk

Slide 14 - Quiz

Een ander woord voor mening is argument.
A
ja
B
nee

Slide 15 - Quiz

Een argument is altijd een feit.
A
juist
B
onjuist

Slide 16 - Quiz

Welk signaalwoord is een signaalwoord voor een argument?
A
omdat
B
zoals
C
en
D
maar

Slide 17 - Quiz

Welk signaalwoord is een signaalwoord voor reden?
A
ten eerste
B
omdat
C
bijvoorbeeld
D
maar

Slide 18 - Quiz

Wat is een signaalwoord
Wat zijn signaalwoorden?
A
Woorden die verbanden tussen zinnen/alinea's leggen
B
Woorden die zelfstandig een betekenis hebben
C
Woorden die iets zeggen over het zelfstandig naamwoord
D
Woorden die extra informatie geven

Slide 19 - Quiz

Exit ticket
Bewaar:  Wat heb je onthouden en neem je mee van deze les?

Slide 20 - Diapositive