In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Onderdelen in deze les
G: Bescherming en antistoffen
BI/V/1 Bescherming en antistoffen
Slide 1 - Tekstslide
Lichaamsvreemde stoffen
Onbekende eiwitten op de ziekteverwekker = antigenen
infecties
bloedtransfusies
orgaantransplantatie
Slide 2 - Tekstslide
Infecties
Inwendig en vermenigvuldigen zich
Bacteriën, schimmels, dieren of virussen
Slide 3 - Tekstslide
Algemene uitwendige afweer
Opperhuid / Talg
Slijmvlies in de luchtwegen
Darmwand
Maagsap
Wittebloedcellen maken ziekte verwekkers onschadelijk
Slide 4 - Tekstslide
Koorts (inwendig niet speifiek
Ziekteverwekkers geven giftige stoffen af. Reactie van lichaam is warm worden zodat ziekteverwekker zich niet kan vermenigvuldigen
Slide 5 - Tekstslide
Medicijnen
Antibiotica dood bacteriën (geen virussen)
Er zij ook schimmeldodende medicijnen
Slide 6 - Tekstslide
Specifieke afweer; antistoffen
Een bepaalde witte bloedcel maakt antistoffen
Onbekende eiwitten op de ziekteverwekker = antigenen
Slide 7 - Tekstslide
Waaraan worden lichaamsvreemde stoffen herkend?
A
Celmembraan
B
Complementsysteem
C
Antigenen
D
Antilichamen
Slide 8 - Quizvraag
Als je besmet bent met het coronavirus, maak je:
A
antigenen
B
antistoffen
C
antigenen en antistoffen
Slide 9 - Quizvraag
Slide 10 - Tekstslide
Antistof en Antigen. Wat is waar?
A
Antigenen zitten aan de buitenkant van cellen
B
Een antistof past op meerdere antigenen.
C
Antigenen zitten aan de binnenkant van cellen
D
Antigenen zijn altijd lichaamsvreem
Slide 11 - Quizvraag
Verschillende ziekteverwekkers hebben verschillende eiwitten, dus verschillende antigenen
Een antistof is dus specifiek
Slide 12 - Tekstslide
Antigenen of antistoffen? ...... zijn specifiek gericht op één bepaalde ziekteverwekker.
A
antigenen
B
antistoffen
Slide 13 - Quizvraag
Natuurlijke immuniteit
Immuun = witte bloedcellen onthouden de antistof
Ziekte zelf gehad en weer beter van geworden
Slide 14 - Tekstslide
Slide 15 - Tekstslide
Kunstmatige immuniteit
ingeënt of vaccinatie
vaccin = een dode of verzwakte ziekteverwekker
lichaam gaat zelf antistoffen maken
Slide 16 - Tekstslide
Wat wordt er ingespoten als iemand wordt gevaccineerd?
10
A
Antistoffen
B
Antigenen
C
Antistoffen en antigenen
D
Antibiotica
Slide 17 - Quizvraag
G: Bescherming en antistoffen
BI/V/1 Bescherming en antistoffen
Slide 18 - Tekstslide
Slide 19 - Tekstslide
Slide 20 - Tekstslide
Je ziet hier Fagocytose. Op welke andere manier worden ziekteverwekkers gedood?
A
Witte bloedcellen maken antigenen
B
Witte bloedcellen maken antistoffen
C
Antigenen maken Antigenen
D
Antigenen maken antistoffen
Slide 21 - Quizvraag
Transplantaties en bloedtransfusies
Slide 22 - Tekstslide
Transplantatie
Afstotingsreactie
de eiwitten worden niet herkend
dus antistoffen worden gemaakt
Slide 23 - Tekstslide
Reuma
auto-immuunziekte
eiwitten op het gewrichtskapsel
lichaam maakt antistoffen tegen eigen eiwitten
ontstoken gewrichten
Slide 24 - Tekstslide
BLOEDGROEPEN
een erfelijke eigenschap
ieder een bepaalde bloedgroep
bloedgroepen: A, B, AB, O
Slide 25 - Tekstslide
BLOEDFACTOREN
Op de rode bloedcellen zitten bloedfactoren
Die bij andere bloedgroepen als lichaamsvreemd worden gezien
Slide 26 - Tekstslide
BLOEDPLASMA
bevat antistoffen tegen bloedfactoren die niet op de rode bloedcellen voorkomen
Slide 27 - Tekstslide
Bloedtransfusie/transplantatie
voorkeur: dezelfde bloedgroep
er mogen geen antistoffen aanwezig tegen de bloedfactoren van de donor
Slide 28 - Tekstslide
Bloeddonatie
Slide 29 - Tekstslide
Slide 30 - Tekstslide
Welke bloedgroep(en) heeft/hebben geen antigenen
A
Bloedgroep A
B
Bloedgroep B
C
Bloedgroep AB
D
Bloedgroep O
Slide 31 - Quizvraag
Welke bloedgroep kan alle bloedgroepen ontvangen?
A
Bloedgroep A
B
Bloedgroep B
C
Bloedgroep AB
D
Bloedgroep O
Slide 32 - Quizvraag
Aan wie mag bloedgroep A geven?
A
Bloedgroep A
B
Bloedgroep B
C
Bloedgroep AB
D
Bloedgroep O
Slide 33 - Quizvraag
Welke bloedgroep kan alle bloedgroepen ontvangen?
A
Bloedgroep A
B
Bloedgroep B
C
Bloedgroep AB
D
Bloedgroep O
Slide 34 - Quizvraag
Welke bloedgroep is hier weergegeven?
A
Bloedgroep A
B
Bloedgroep B
C
Bloedgroep AB
D
Bloedgroep 0
Slide 35 - Quizvraag
Welke bloedgroep(en) heeft/hebben geen antistoffen
A
Bloedgroep A
B
Bloedgroep B
C
Bloedgroep AB
D
Bloedgroep O
Slide 36 - Quizvraag
Welke bloedgroep komt het meeste voor in Nederland
A
Bloedgroep A
B
Bloedgroep B
C
Bloedgroep AB
D
Bloedgroep O
Slide 37 - Quizvraag
RESUSFACTOR (resusantigeen)
5e bloedgroep
85% heeft op de rodebloedcellen de resusfactor (Rh+)
=
resuspositief
Slide 38 - Tekstslide
RESUSFACTOR (resusantigeen)
5e bloedgroep
Resusnegatief (Rh-) hebben dus geen resusfactor
=
zij kunnen antiresus maken
(antistof tegen de resusfactor)
Slide 39 - Tekstslide
Slide 40 - Tekstslide
Slide 41 - Tekstslide
hersen- en nierbeschadiging tot gevolg
=
resuskind
om te voorkomen kan er antiresus worden toegediend,
dan hoeft de moeder het niet te maken
Slide 42 - Tekstslide
Bloedgroepbepaling
3 testsera;
serum met anti-A
serum met anti-B
serum met antiresus
1 druppel serum met 1 druppel bloed en goed mengen
Slide 43 - Tekstslide
Lisette laat haar bloedgroep bepalen. Hiervoor worden twee druppels van haar bloed op een glazen plaatje gebracht: druppel P en druppel Q. Aan druppel P wordt wat anti-A toegevoegd, aan druppel Q wat anti-B (zie de afbeelding hieronder). Uit de bepaling blijkt dat Lisette bloedgroep A heeft. Welke letter geeft het resultaat weer van de bloedgroepbepaling van Lisette?