2HVa les 5 lv en mv

Welkom 2HVa
Leg al je spullen vast op tafel.
Ga lekker zitten en luister goed, duik in de wereld van ons verhaal...

Tot over 10 min ;-)
timer
10:00
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Welkom 2HVa
Leg al je spullen vast op tafel.
Ga lekker zitten en luister goed, duik in de wereld van ons verhaal...

Tot over 10 min ;-)
timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Eigenlijk mogen we niet voetballen op het plein, maar de juf kneep een ... dicht.

Wat moet er op de puntjes staan?
A
mondje
B
oortje
C
oogje
D
neusje

Slide 2 - Quizvraag

de uitdrukking is een oogje dichtknijpen

Het betekent iets wat eigenlijk niet mag, toch laten gebeuren.
Als je je ogen dichtknijpt, zie je niet zoveel.
Verdeel in zinsdelen en benoem die:

De juf kneep een oogje dicht.

Slide 3 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

planning van deze les
  • voorlezen (7 min)
  • uitleg lijdend voorwerp + meewerkend voorwerp (10 min)
  • aan de slag

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

lesdoel
  • je hebt inzicht in je eigen kennis/vaardigheid van redekundig ontleden tot op dit moment
  • je hebt je verdiept in twee nieuwe zinsdelen: lv en mv
  • je hebt geoefend met de verschillende zinsdelen


Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

les nalezen?
  • ik deel de lessen in LessonUp
  • jij maakt een account aan op LessonUp
  • klascode 2HVa: fhhgf


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

lijdend voorwerp
Wat is dit zinsdeel in de zin?
Hoe vind je dit zinsdeel?

De uitleg die ik zou geven... vergelijk die met jouw notities.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het lijdend voorwerp
Let op
Voordat je leert hoe je het lijdend voorwerp (lv) kunt herkennen, moet je weten dat niet elke zin een lv in zich heeft.
Het ligt aan de werkwoorden in de zin.

Een voorbeeld......

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waar denk je aan
bij het werkwoord
eten?

Slide 9 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Het lijdend voorwerp (vervolg)
Als een zin een lijdend voorwerp heeft, moet er een werkwoord in staan dat iets doet.  Zoals bijvoorbeeld eten; je kunt namelijk iets eten.

Andere vb:
poetsen. Je kunt ook iets poetsen.
slaan. Je kunt namelijk iets of iemand slaan.

Maar niet bij het werkwoord slapen. Je kunt niet iets slapen.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het lijdend voorwerp (vervolg)
Het lijdend voorwerp is het voorwerp waar iets mee gebeurt.
Om het lijdend voorwerp (lv) te vinden heb je dus de werkwoorden nodig, maar ook het onderwerp van de zin.

Je vindt het lv door de vraag te stellen:
Wat (of wie) + wg + ow?
Bijv: Soms wil ik mijn irritante broertje slaan.
Vraag: Wat of wie wil ik slaan? mijn irritante broertje.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin:
Gisteren bakte ik een overheerlijke taart.
A
ik
B
bakte
C
een overheerlijke taart
D
gisteren

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verdeel in zinsdelen en benoem die:

Elsa belt elke middag haar oma op.

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het lijdend voorwerp
In formule:
Wie of wat (vaak een wat) werkwoordelijk gezegde +  onderwerp?
=
Het lijdend voorwerp


Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lijdend voorwerp

zijn er vragen?

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin:
Ik kan deze zin ontleden.
A
ik
B
kan
C
kan ontleden
D
deze zin

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Video

Deze slide heeft geen instructies

het meewerkend voorwerp
Wat is dit zinsdeel in de zin?
Hoe vind je dit zinsdeel?


De uitleg die ik zou geven... vergelijk die met jouw notities.


Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het meewerkend voorwerp
- komt voor in zinnen waarin het werkwoord aangeeft dat iets aan iemand wordt gegeven of verteld. Het 'iets' is het lv, degene aan wie iets wordt gegeven of verteld is het mv.
- wordt vaak aangegeven met aan of voor, maar dat hoeft niet (je kunt het er dan bij denken). Zoals: Hij schenkt (voor) haar een glas sap in.


Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het meewerkend voorwerp
Aan wie of voor wie werkwoordelijk gezegde + onderwerp lijdend voorwerp?
=
Het meewerkend voorwerp

Let op: Zit er geen lijdend voorwerp in een zin, dan zit er dus ook geen meewerkend voorwerp in de zin!

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin:

Gisteren bakte ik een overheerlijke taart voor mijn moeder.
A
ik
B
bakte
C
een overheerlijke taart
D
voor mijn moeder

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verdeel in zinsdelen en benoem die:

Gisteren bakte ik een overheerlijke taart voor mijn moeder.

Slide 22 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Meewerkend voorwerp

zijn er vragen?

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Video

Deze slide heeft geen instructies

aan de slag
Maken opdracht 14 t/m 18 in boekje.

Begrijp je het lv en mv echt heel erg goed?
Maak dan per oefening alleen de eerste twee zinnen.



Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

bedankt, tot de volgende keer!

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies