Module A2 inleiding in de zorg voor mensen met een beperking
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 2
In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.
Lesduur is: 90 min
Onderdelen in deze les
Slide 1 - Tekstslide
Voorbereidende opdracht
Doornemen:
Theorie Thieme-Meulenhoff Module 1 en 2
Slide 2 - Tekstslide
Wat was de voornaamste benadering van zorg voor mensen met een beperking tot halverwege de twintigste eeuw?
A
liefdadigheid en medische zorg
B
integratie in de samenleving
Slide 3 - Quizvraag
Vroeger
geen onderscheid tussen psychiatrie en mensen met een verstandelijke beperking. Benadering was gelijk. Grote instituten vanuit kerkelijke inslag. Vught, de godshuizen, Eindhoven RPI, Etten-Leur Sint Antonius, Venray Sint Anna
Slide 4 - Tekstslide
Isolatie naar aanleiding van foto
Op basis van uiterlijke kenmerken werden behandelingen/benaderingen gestart
Slide 5 - Tekstslide
Welk van de volgende uitspraken is waar met betrekking tot een stoornis?
A
Een stoornis is altijd subjectief en kan niet objectief worden vastgesteld.
B
Een stoornis is een afwezigheid of afwijking van een psychologische, fysiologische of anatomische structuur of functie.
Slide 6 - Quizvraag
Welke term werd gebruikt voor mensen met een stoornis, zowel lichamelijk als verstandelijk, vóór de twintigste eeuw?
A
krankzinnig
B
zwakzinnig
C
gebrekking
D
invalide
Slide 7 - Quizvraag
Wat is een belangrijke overweging bij het vaststellen van een verstandelijke beperking, naast het IQ?
A
Sociale status van de zorgvrager.
B
Etnische achtergrond van de zorgvrager.
C
Zelfredzaamheid van de zorgvrager.
D
Het aantal jaren onderwijs dat de zorgvrager heeft genoten.
Slide 8 - Quizvraag
Wat is een belangrijke taak van een verpleegkundige bij de zorg voor mensen met een lichamelijke beperking?
A
Het bieden van aanvullende ondersteuning aan zorgvragers voor taken die ze niet zelfstandig kunnen uitvoeren.
B
Het overnemen van alle taken van de zorgvrager om hen volledig te ontlasten.
C
Het minimaliseren van alle vormen van ondersteuning om de zelfstandigheid van de zorgvrager te vergroten.
D
Het negeren van de beperkingen van de zorgvrager om hen te stimuleren meer onafhankelijk te zijn.
Slide 9 - Quizvraag
Welke wet in Nederland gaf 'krankzinnigen' recht op verpleging en genezing?
A
Wet BOPZ
B
Krankzinnigenwet van 1841
C
Wet Zorg en dwang
D
Wet maatschappelijke ondersteuning
Slide 10 - Quizvraag
Wat was een belangrijke gebeurtenis die leidde tot meer nadruk op zelfbeschikking en individuele rechten van mensen met een beperking?
A
Oprichting van de CVLG in 1926
B
Invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning
C
De Dennendal-affaire
D
Introductie van Fokuswoningen in 1979
Slide 11 - Quizvraag
anderetijden.nl
Slide 12 - Link
Wat is een voorbeeld van een voorziening die mensen met een lichamelijke beperking in staat stelt zelfstandig te wonen?
A
Intramurale dagbesteding
B
Fokuswoning
C
Verpleeghuis
D
GVT
Slide 13 - Quizvraag
Welke wet richt zich op het bevorderen van de maatschappelijke integratie van mensen met een beperking?
A
Wet maatschappelijke ondersteuning
B
Wet Bopz
C
Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)
D
Wet Zorg en dwang
Slide 14 - Quizvraag
Welke classificatie richt zich op het totale 'plaatje' van een zorgvrager, inclusief zijn functioneren in relatie tot zijn omgeving?
A
International Classification of Diseases (ICD)
B
International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps (ICIDH)
C
International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF)
D
World Health Organization Classification (WHO-C)
Slide 15 - Quizvraag
Hoe wordt het niveau van functioneren van mensen met een verstandelijke beperking ingedeeld?
A
In drie categorieën
B
In vier categorieën
C
In vijf categorieën
D
In zescategorieën
Slide 16 - Quizvraag
De vier categorieën:
lichte verstandelijke beperking IQ 50/70
matige verstandelijke beperking IQ 35/40
ernstige verstandelijke beperking IQ 20/35
Diepe verstandelijke beperking IQ lager 20
Slide 17 - Tekstslide
Wat is het verschil tussen een EQ en IQ
Slide 18 - Open vraag
Welk van de onderstaande omschrijvingen is kenmerkend voor een aangeboren stoornis?
A
De zorgvrager heeft een normale ontwikkeling doorgemaakt tot het moment van het ontstaan van de stoornis.
B
Mogelijke oorzaken zijn erfelijke/genetische factoren, stofwisselingsstoornissen, stoornissen tijdens de zwangerschap of de geboorte, en stoornissen in het eerste levensjaar.
C
De zorgvrager moet omschakelen naar een leven met beperkingen, wat gepaard kan gaan met fasen van verzet, woede en uiteindelijk aanvaarding.
D
Het gevolg van deze stoornis is vaak een gestoorde of vertraagde ontwikkeling, en ouders kunnen te maken krijgen met gevoelens van teleurstelling, verdriet, schuldgevoel of schaamte
Slide 19 - Quizvraag
Wat is een mogelijke oorzaak van een niet-aangeboren beperking?
A
Een cerebrovasculair accident (CVA)
B
Chromosoomafwijkingen
C
Stoornissen tijdens de zwangerschap door infectieziekten bij de moeder
D
Ernstige mishandeling (bijvoorbeeld het ‘shaken baby syndroom’)
Slide 20 - Quizvraag
Termen
Stoornis
Beperking
Handicap
Slide 21 - Tekstslide
Slide 22 - Video
Opdracht Authentieke situatie
Neem de casus van Benny Zwagerman door
Beantwoord de 7 vragen die er op volgen
Je mag in 2-tallen werken
45 min.
Slide 23 - Tekstslide
Nabespreken
Slide 24 - Tekstslide
Het ondersteuningsplan
Het ondersteuningsplan is een elektronisch (of schriftelijk) document tussen de cliënt en zorgaanbieder waarin de afspraken over de zorg voor de cliënt worden vastgelegd. Het ondersteuningsplan wordt opgesteld naar aanleiding van een gesprek met de cliënt en vormt de basis voor de te verlenen zorg.
Slide 25 - Tekstslide
Kenmerken ondersteuningsplan gehandicaptenzorg
gebaseerd op de mogelijkheden, beperkingen, wensen en behoeften van de cliënt.
gericht op het in stand houden of verbeteren van diens kwaliteit van bestaan.
omvat de aan te wenden strategieën en hulpbronnen.
er is aangegeven wie de cliënt kan aanspreken met betrekking tot de voortgang en coördinatie van de uitvoering van het ondersteuningsplan.
benoemt betrokken (professionele en niet-professionele) personen, die bij het werken aan de doelen en afspraken betrokken zijn.
er is aangegeven wie voor de verschillende onderdelen van de zorgverlening verantwoordelijk is.