vwo 2 chapitre 3 grammaire

grammaire chapitre 3
vwo 2
vwo 2
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

grammaire chapitre 3
vwo 2
vwo 2

Slide 1 - Tekstslide

Herhaling
- Imparfait
- Gesloten vraagzinnen
-Datum


Slide 2 - Tekstslide

Imparfait (o.v.t)

Slide 3 - Tekstslide

Imparfait (o.v.t)
Bijvoorbeeld:
ik gaf
jij had
hij deed
wij maakten
jullie liepen
zij dansten

Slide 4 - Tekstslide

Imparfait (o.v.t)

Met welke 3 stappen maak je de imparfait?


1.  je neemt de nous vorm van de présent

2. je haalt -ons van de uitgang af

3. je voegt de goede imparfait uitgang toe

Slide 5 - Tekstslide

Wat zijn de uitgangen van de imparfait?

Slide 6 - Woordweb

Combineer de personen met de juiste uitgangen (imparfait)
-ais
-ais
- ait
- ions
- iez
-aient
Je
Tu
il/elle/on
Nous
Vous
Ils / elles

Slide 7 - Sleepvraag

vertaal: men wilde (willen = vouloir)
A
On veulait
B
On voulait
C
J'ai voulu
D
On voulais

Slide 8 - Quizvraag

vertaal: jij keek (kijken = regarder)
A
Tu regardait
B
Tu regardais
C
Tu as regardé
D
Tu regardes

Slide 9 - Quizvraag

vertaal: ik ging (gaan = aller)
A
J´allais
B
J´irais
C
Je suis allé
D
J´étais

Slide 10 - Quizvraag

vertaal: wij vertelden
(vertellen: raconter)
A
Nous racontons
B
Nous avons raconté
C
Nous racontions
D
Vous racontiez

Slide 11 - Quizvraag

vertaal: zij eindigde
(eindigen = finir)
A
Elles finissaient
B
Il finissait
C
Elle a fini
D
Elle finissait

Slide 12 - Quizvraag

vertaal: jullie hadden

Slide 13 - Open vraag

vertaal: hij deed

Slide 14 - Open vraag

vertaal: ik koos

Slide 15 - Open vraag

vertaal: wij hielden van

Slide 16 - Open vraag

être (zijn)= uitzondering
nous sommes
hier kun je geen -ons 
vanaf halen --> 
uitzondering:

stam imparfait ww être =
ét

Slide 17 - Tekstslide

vertaal: u was

Slide 18 - Open vraag

vertaal: zij (vmv) waren

Slide 19 - Open vraag

Gesloten vraagzinnen

Slide 20 - Tekstslide

Hoeveel manieren van gesloten vragenzinnen ken je?

Slide 21 - Woordweb

Hoe maak je een gesloten vraagzin?

1. een vraagteken achter de gewone zin plaatsen:

  tu as fait tes devoirs?   tu es Néerlandais?

2. est-ce que/qu' + gewone zin

   est-ce que tu as fait tes devoirs?  est-ce qu'il est là?

3. persoonsvorm +  persoonlijk vnwd + zin

 as-tu fait tes devoirs ? Regardez-vous la télé?


Slide 22 - Tekstslide

Heb je een broer?
A
as t'il un frere?
B
as-tu un frère?
C
as tu une soeur?
D
avez-vous un frère?

Slide 23 - Quizvraag

Welke vraagzinnen zijn correct?

2 antwoorden zijn goed!
A
Tu as un téléphone?
B
Est ce que tu as un téléphone?
C
Est-ce qu' tu as un téléphone?
D
Est-ce que tu as un téléphone?

Slide 24 - Quizvraag

Welke vraagzinnen zijn correct?

2 antwoorden zijn goed!
A
Est ce-que tu aimes les chats?
B
Est ce que tu aimes les chats?
C
Tu aimes les chats?
D
Est-ce que tu aimes les chats?

Slide 25 - Quizvraag

Maak deze zin op 3 manieren vragend:

Il vend sa voiture.

Slide 26 - Open vraag

Maak deze zin op 3 manieren vragend:

Nous sommes malades.

Slide 27 - Open vraag

Wanneer zet je > -t- < in plaats van >-<?

Slide 28 - Woordweb

Welke vraagzin is correct?
A
Achète-elle des fleurs?
B
Achète-t-elle des fleurs?
C
Est-ce que elle achète des fleurs?
D
Des fleurs elle achète?

Slide 29 - Quizvraag

Welke vraagzinnen zijn correct?

Meerdere antwoorden mogelijk!
A
Il a aimé le film?
B
A-t-il aimé le film?
C
Est-ce qu´il a aimé le film?
D
A-il aimé le film?

Slide 30 - Quizvraag

Maak deze zin op 3 manieren vragend:

Il a écouté l´album de Stromae.

Slide 31 - Open vraag

Datum

Slide 32 - Tekstslide

De datum zonder dag
Le + getal (voluit = voor de toets) + maand


Le vingt-deux mai

Le quatorze avril
Le deux septembre


Slide 33 - Tekstslide

2 mei
A
le 2 mai
B
le 2 mei
C
le 2 mars
D
au 2 mars

Slide 34 - Quizvraag

5 januari
A
5 février
B
le 5 janvier
C
5 janvier
D
le 5 février

Slide 35 - Quizvraag

Hoe zeg je de eerste van de maand?
Het getal 1

Slide 36 - Woordweb

1 juli
A
le un juillet
B
le premier juin
C
le premier juillet
D
premier juillet

Slide 37 - Quizvraag

De maanden

januari       = janvier                 juli                 = juillet

februari     = février                 augustus    = août

maart         = mars                    september = septembre

april            = avril                      oktober        = octobre

mei             = mai                       november   = novembre

juni             = juin                       december   = décembre







Slide 38 - Tekstslide

Wat is de datum (voluit) van vandaag?
C´est....

Slide 39 - Open vraag

Ik begrijp nu beter de grammatica van chapitre 2
😒🙁😐🙂😃

Slide 40 - Poll