Examentraining basis schrijfvaardigheid

Schrijfvaardigheid
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Schrijfvaardigheid

Slide 1 - Tekstslide

Inhoud van het examen
Het examen bestaat uit 2 onderdelen:
  1. Leesvaardigheid: je krijgt teksten met daarbij vragen die je moet beantwoorden. 
  2. Kijk- en luistervaardigheid: je moet vragen beantwoorden over kijk- en luisterfragmenten.
  3. Tekst schrijven: je moet een tekst schrijven. Bijvoorbeeld een zakelijke brief 

    Slide 2 - Tekstslide

    De laatste weken!
    - Jij bereidt je voor op het examen
    - We herhalen de regels voor de zakelijke brief en de zakelijke mail
    - Je oefent met werkwoordspelling
    - We kijken filmpjes ter voorbereiding op het examen
    - We oefenen een compleet examen in FACET

    Slide 3 - Tekstslide

    Het schrijfexamen (25%)

    • Zakelijke Brief ( sollicitatiebrief, klachtenbrief of brief met een verzoek)
     • Zakelijke e-mail 

    Slide 4 - Tekstslide

    De zakelijke brief

    Slide 5 - Tekstslide

    Voorbeeld van een zakelijke brief.

    Een sollicitatiebrief is ook een zakelijke brief.

    Slide 6 - Tekstslide

    kenmerken zakelijke brief
    Verschil e-mail?

    Slide 7 - Woordweb

    Zakelijke brief
    • afzender (jouw eigen adres) 
    • plaats en datum (bijv: Breda, 14 januari 2023
    • geadresseerde (adres aan wie je schrijft) 
    • betreft: (kort het onderwerp van de brief)
    • aanhef (bijv: 'Geachte heer Van der Korte,'
    • inleiding (voorstellen + reden en onderwerp)
    • kern (uitwerken onderwerp, vragen stellen etc)
    • slot (bedanken en geef aan wat je nu verwacht/hoopt -->  Bijv:  Alvast bedankt voor de moeite. Graag hoor ik snel van u"   of   Hopelijk heeft u zo voldoende informatie, anders hoor ik het graag .")
    • afsluiting  (Met vriendelijke groet,)
    • ondertekening (jouw naam) 
    • bijlagen.(bijv: Bijlage: plattegrond Scala) 

    Slide 8 - Tekstslide

    Welke slotzin gebruik je als laatste om een
    zakelijke brief af te sluiten?
    A
    Ik hoop dat u aanwezig zult zijn op deze feestelijke avond.
    B
    Nou, tot 12 december, hoop ik, gezellig!
    C
    De feestcommissie kijkt er naar uit u op deze avond te verwelkomen.
    D
    Het is niet verplicht te komen maar ik hoop natuurlijk dat je komt.

    Slide 9 - Quizvraag

    Wanneer schrijf je hoofdletters?
    A
    Aan het begin van een zin.
    B
    Namen van mensen.
    C
    Namen van plaatsen.
    D
    Alle drie de antwoorden zijn juist.

    Slide 10 - Quizvraag

    Wat is een goede aanhef voor een zakelijke brief?
    A
    geachte Mevrouw Blankers
    B
    Beste Joost
    C
    Geachte heer Van der Sloot,
    D
    geachte heer van der Sloot,

    Slide 11 - Quizvraag

    In de inleiding van een zakelijke brief staat:
    A
    Jezelf voorstellen, waarom je de brief schrijft (reden)
    B
    Kort maar krachtig alle informatie
    C
    Het onderwerp van de brief
    D
    De slotformule

    Slide 12 - Quizvraag

    Wat is een goede afsluiting voor een zakelijke brief?
    A
    Groetjes
    B
    Liefs
    C
    Met vriendelijke groet,
    D
    Hoogachtend,

    Slide 13 - Quizvraag

    "Groetjes, lisa snoek" wordt...

    Slide 14 - Open vraag

    Volgorde zakelijke brief (e-mail korter)
    Afzender
    Plaats en datum
    Geadresseerde
    Onderwerp:
    Aanhef
    Inleiding
    Kern
    Slot
    Afsluiting
    Bijlagen

    Slide 15 - Sleepvraag

    Voorbeeld
    Zakelijke brief
    (E-mail vanaf aanhef)

    B en C mag je ook omdraaien

    Slide 16 - Tekstslide

    Slide 17 - Video

    Het artikel

    Slide 18 - Tekstslide

    Opbouw van een artikel 
    Pakkende titel 

    Inleiding: hier introduceer je het onderwerp en schrijf je waarom je dit stuk schrijft (aanleiding)

    Middenstuk: schrijf over elk deelonderwerp één alinea. Gebruik signaalwoorden.

    Slot: hier geef je een conclusie of korte samenvatting. 

    Slide 19 - Tekstslide

    Een schrijfplan
    Een soort eerste opzet voordat je aan je echte brief of artikel begint.

    Je bedenkt je heel goed voor wie je de tekst schrijft en wat de bedoeling is van je tekst. Dit zet je alvast onder elkaar. Ook is het belangrijk alvast een lijstje te maken van al je vragen.

    Slide 20 - Tekstslide

    Waarom is een schrijfplan zo belangrijk?
    A
    Het geeft overzicht
    B
    Je vergeet zo niets
    C
    Je kunt alvast spelfouten checken
    D
    Je denkt alvast erg goed na over waarom je gaat schrijven.

    Slide 21 - Quizvraag

    Artikel
    • Goede titel
    • Inleiding, kern en slot
    • Duidelijke alinea-indeling
    • Beginnen met aanleiding en eindigen met slot
    • Bronvermelding aangeven (als je die hebt gebruikt)
    • Afsluiten met naam en klas.

    Slide 22 - Tekstslide

    Indeling artikel
    - Inleiding- aanleiding artikel--------------> 1 alinea
    - Kern - deelonderwerp 1-------------------> 2 of 3 alinea's
                - deelonderwerp 2
                 - deelonderwerp 3
    - Slot- samenvatting, conclusie of advies--> 1 alinea

    Slide 23 - Tekstslide

    De zakelijke email 

    Slide 24 - Tekstslide

    Opmaak zakelijke email
    aan: mailadres geadresseerde
    onderwerp: Waar gaat de email over?

    Aanhef: Geachte heer, mevrouw,
    Inleiding: Wie ben je? Waarom schrijf je?
    Kern: Belangrijke informatie, vragen etc.
    Afsluiting: bedankje en wat verwacht je?

    Met vriendelijke groet,

    Naam + Achternaam

    Slide 25 - Tekstslide


    Een zakelijke email 

    Slide 26 - Tekstslide

    De aanhef van een zakelijke email schrijf je zo:
    A
    Hoi meneer/mevrouw,
    B
    Geachte,
    C
    Geachte heer/geachte mevrouw,
    D
    Geachte heer/mevrouw,

    Slide 27 - Quizvraag

    In de inleiding van een zakelijke email staat:
    A
    Jezelf voorstellen, waarom je de mail schrijft
    B
    Kort maar krachtig alle informatie
    C
    Het onderwerp van de mail
    D
    De slotformule

    Slide 28 - Quizvraag

    Bij een zakelijke email geef je altijd aan waar het over gaat in de regel:
    A
    onderwerp
    B
    slotgroet
    C
    slot
    D
    inleiding

    Slide 29 - Quizvraag

    Wat is de slotgroet van een zakelijk email?
    A
    met vriendelijke groet
    B
    hartelijke groet
    C
    groetjes
    D
    groet

    Slide 30 - Quizvraag

    Een zakelijke email is vooral
    A
    formeel
    B
    informeel

    Slide 31 - Quizvraag

    Waar komt er verplicht een komma in een email?
    A
    na de aanhef
    B
    achter je eigen naam
    C
    na het onderwerp
    D
    er komt nergens een verplichte komma

    Slide 32 - Quizvraag

    Een zakelijke email bevat:
    A
    Geen adresgegevens, wel email adres en onderwerp
    B
    Wel adresgegevens, geen email adres en onderwerp
    C
    Geen adresgegevens, geen email adres wel een onderwerp
    D
    Wel adresgegevens, wel een email-adres en geen onderwerp

    Slide 33 - Quizvraag

    Wat is een goede aanhef van een zakelijke email?
    A
    Geachte klachtencommissie,
    B
    Geachte meneer van der Veen
    C
    Geachte heer, mevrouw,
    D
    Beste meneer Wagteveld,

    Slide 34 - Quizvraag

    Onder je email zet je
    A
    je voornaam
    B
    je achternaam
    C
    je voor- en achternaam

    Slide 35 - Quizvraag

    Slide 36 - Tekstslide

    Wat moet wél in een zakelijke brief en hoeft niet in een zakelijke e-mail?

    Slide 37 - Open vraag


    Spelling

    Omdat je in de examens ook beoordeeld wordt op spelling, gaan we daar nu mee aan de slag.

    We beginnen met werkwoordspelling.
    Eerst weer wat quizvragen!

    Slide 38 - Tekstslide

    Weet je wel wat het beteken.... als je werkwoordspelling echt beheerst!
    A
    betekend
    B
    betekent
    C
    betekende
    D
    betekente

    Slide 39 - Quizvraag

    Het gebeur... regelmatig dat men fouten maakt in werkwoordspelling.
    A
    gebeurd
    B
    gebeurt
    C
    gebeurdt

    Slide 40 - Quizvraag

    Aan het begin van het jaar (besteden, vt) we veel tijd aan werkwoordspelling.
    A
    besteden
    B
    besteede
    C
    besteedden
    D
    besteeden

    Slide 41 - Quizvraag

    Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
    Hij (landen) op Schiphol.
    A
    land
    B
    landt

    Slide 42 - Quizvraag

    Wanneer en waarvoor gebruik je
    '
    'T ex kofschip/ ' t sexy fokschaap ?

    Er zijn meer antwoorden goed
    A
    Bij de spelling van de persoonsvorm in de verleden tijd en bij het voltooid deelwoord
    B
    Als je bij de persoonsvorm in de verleden tijd niet hoort of de laatste letters -te of -de zijn
    C
    Als je het onderwerp zoekt
    D
    Om de persoonsvorm te vinden

    Slide 43 - Quizvraag

    Slide 44 - Video

    Slide 45 - Video

    Maken:
    www.examensite.nl

    oefenen.facet.nl

    Slide 46 - Tekstslide