EPA 1 Zintuigen 1 en 2

AFP Zintuigen
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
anatomieMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

Onderdelen in deze les

AFP Zintuigen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zintuigcellen

Een zintuigcel (sensor) is een cel die gevoelig is voor een prikkel. De prikkel is een veranderde omstandigheid in de omgeving van de zintuigcel. Vaak wordt een zintuigcel ook aangeduid met de term receptor (ontvanger)

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

timer
2:00
Noem 5 prikkels van buitenaf die je
kan waarnemen met je zintuigcellen

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

timer
2:00
Noem 5 prikkels van binnen uit je lichaam die je
kan waarnemen met je zintuigcellen

Slide 4 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Kenmerken van zintuigcellen
Wat houden deze 5 algemene kenmerken van de zintuigcellen  in?
  1. vertaling van prikkels in impulsen
  2. specifieke gevoeligheid
  3. specifieke gewaarwording
  4. specifiek bereik
  5. adaptatie

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vertaling prikkels in impulsen
De vertaling van prikkels in impulsen

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Indeling zintuigcellen
De indeling van zintuigcellen is op basis van:
  • herkomst
    (exteroceptoren, interoceptoren, proprioceptoren)
  • het soort prikkel
    (chemoreceptoren, mechanoreceptoren, thermoreceptoren, fotoreceptoren, pijnreceptoren)


Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Exteroceptoren
Interoceptoren
Proprioceptoren
Exteroceptoren
Interoceptoren
Proprioceptoren
vangen prikkels op van buiten het lichaam
liggen aan de buitenkant van het lichaam, op de grens met de buitenwereld
vangen prikkels op uit de inwendige organen
liggen in de wand van holle organen
registreren informatie over de stand (= houding) en de standsverandering (= beweging) van lichaamsdelen
liggen in de spieren, pezen, gewrichten en het evenwichtsorgaan

Slide 9 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Indeling naar herkomst

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Chemo-
receptoren
Mechano-
receptoren
Thermo-
receptoren
Foto-
receptoren
Pijn-
receptoren
gevoelig voor bijv. reukstoffen, smaakstoffen, koolstofdioxide, osmotische waarde, zuren
Voorbeelden: reukzintuigcellen in de neus, smaakzintuigcellen in de tong
gevoelig voor prikkels zoals druk, trilling, vloeistofbeweging en trekspanning
Voorbeelden: tastreceptoren en drukreceptoren in de huid, zintuig- cellen in het oor, proprioceptoren in de spieren
gevoelig voor temperatuur- veranderingen in de directe omgeving
Voorbeelden: zintuigcellen in de huid en de hypo- thalamus die een belangrijke rol spelen bij de temperatuur- regulatie
gevoelig voor licht
Voorbeelden: lichtzintuigcellen in het oog
gevoelig voor: (dreigende) schade. 
worden geprikkeld als ze zelf beschadigd dreigen te worden
Voorbeelden: liggen overal in het lichaam, bijvoorbeeld in de huid, in de wanden van bloedvaten, in het botvlies, in de gewrichten

Slide 11 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zintuigen
De mens heeft 5 zintuigen:

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het oog (oculus)

Slide 14 - Tekstslide

Harde oogrok = sclera
  • bindweefselkapsel
  • houdt de rond vorm in stand
  • aan voorkant doorzichting; Hoornvlies (cornea). de buitenste slijmlaag op het hoornvlies noemen we bindvlies (conjunctiva) Is er gevoelig voor aanraking: Lidslagreflex
Vaatvlies = choroidea
  • Bekleed de binnekant van de oogbol
  • dun en zeer doorbloed
  • aan de voorkant overgaand in Iris (regenboogvlies)
  • Pupil
  • Accomodatiespier (hier gaat het vaatvlies over in de Iris: cirkelvorming verdikte rand van deze spier heeft het straalvormig lichaam (corpus cilicare). van hier uit gaan een groot aantal vezeltjes naar de lins. de les is opgehangen aan de lensbandjes
  • Lensbandjes
Netvlies = retina
  • Ligt aanbvinnenkant tegen het vaatvlies aan, bevat intuigcellen
  • blinke vlek: de plaats waar de oogzenuw het oog verlaat. 
Hulporganen:
  • Oogkassen = hol en wordt gevormd door botstukken van de schedel. biedt bescherming
  • oogleden = dunne huidplooien die ogen beschermen
  • oogspieren = 6: bewegingsvrijheid
  • traanapparaat = traanklier, 2 traankanaaltjes, traanzak en traanbuis. traanklier produceert traanvocht: voorkomt uitdroging van het hoornvlies
Inwendige bouw van de oogbol

Slide 15 - Tekstslide

Lens: ligt achter de pupil
Glasachtig lichaam: oogbolruimte achter de lens
oogkamers:
  • voorste oogkamer: tussen hoornvlies en iris
  • achterste oogkamer: tussen iris en lens
glasiachtig lichaam is gevuld met een heldere geleiachtige substantie

het kamerwater wordt geproduceerd in het straalvormig lichaam en stroomt via de pupil naar de voorste oogkamer door kanaal van Schlemm
Het kamerwater is belangrijk voor de voeding van de les en het hoornvlies
  • Gevuld met kamerwater
Blinde vlek: (papil) plek waar oogzenuw (Nervus Opticus) het oog verlaat

Gele vlek (macula): veel kegeltjes (voor scherpte in kleur kunnen zin) naar buiten toe meer staafjes (lichtreceptoren) waardoor je beter licht en donker kan zien

Slide 16 - Video

tot pathologie
 Zien
  • Lichtgeleiding
  • Accomodatie
  • Lichtverwerking
  • Beeldvorming 

Slide 17 - Tekstslide

Lichtgeleiding:
  • Hoorvlies, voorste oogkamer achterste oogkamer lens glasachtig lichaam. 
  • lichtstralen prikkelen de lichtzintuigcellen in het netvlies, de structuren hebben een lichtbrekende werking, brekende meida. hierbij speelt de bolle vorm van de les eenbelangrijke rol. alles komt omgekeerd op je netvlies terecht. pupilreflex regelt de hoeveelheid licht dat binnen valt. 
Accomodatie
  • boller of platter maken van de lens. iets in de verte zien maakt de les zo plat mogelijk. 
Lichtverwerking
  • fotoreceptoren, Lichtzintuigcellen: staafjes en kegeltjes;  gele vlek (hierint zitten alleen maar kegeltjes en hier zie je het scherpst.  lichtzintuigcellen zijn gevoelig voor pigment. staafjes onderscheiden licht en donker, met kegeltjes zie je kleuren. 
Beeldvorming 
  • staafjes en kegeltjes zetten lichtprikkels om in impulsen, chaisma opticum (kruizen van de 2 oogzenuwen), vanaf hier het li en re optische baan (tractus opticus). lopen naar  thalamus en doorgeschakeld naar optische schors: daar vind beeldvorming plaats

Slide 18 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Het oor
Vul de namen bij de cijfers in. 

Slide 19 - Tekstslide

1. schedel, rotsbeen
Buitenoor: 2. gehoorgang 3. oorschelp
Middenoor: 4. trommelvlies 5. ovaal venster 6. hamer
7. aambeeld 8. stijgbeugel 12. buis van Eustachius

Binnenoor: 9. labyrint 10. slakkenhuis 11. gehoorzenuw
 Oor

Slide 20 - Tekstslide

Uitwendige oor:
  • vangt geluidspirkkels op
  • bestaat uit oorschelp en uitwendige gehoorgang: talgklieren = oorsmeer
  • Eindigt bij trommelvlies
  • oorsmeer houdt huid en trommelvlies soepel en waterafstotend
Middenoor:
  • bestaat uit trommevlies, trommelholte met gehoorsbeentjes (hamer, aanbeeld, stijgbeugel)
  • trommelholte staat met buis van Eustachius in verbinding met neus-keelholte
Binnenoor:
  • Zintuigcellen van gehoor en evenwichtsorgaan
  • slakkenhuis
  • voorhof evenwichtsorgaan
  • 3 halfcirkelvormige kanalen van het evenwichtsorgaan

Slide 21 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Evenwichtsorgaan
Ligging: in binnenoor

Bouw: voorhof + 3 cirkelvormige kanalen
Binnenin vocht en zintuigcellen,
in voorhof ook gehoorsteentjes

Werking
Statisch evenwicht: voorhof (m.b.v. gehoorsteentjes)
Dynamisch evenwicht: cirkelvormige kanalen



Slide 23 - Tekstslide

Het evenwichtsorgaan,[1] het vestibulaire orgaan[1], het vestibulaire systeem of de booggang is het zintuigencomplex dat informatie verzamelt over beweging en balans. Samen met het slakkenhuis - dat functioneel geen deel uitmaakt van het evenwichtsorgaan maar van het oor - vormt het het labyrint. Het bevindt zich aan beide zijden van het hoofd in het rotsbeen: een onderdeel van de schedel.

De informatie gaat naar de hersenen, en wordt daar gebruikt om de juiste spiergroepen aan te sturen, om bijvoorbeeld vallen te voorkomen.


De neus (nasus)

Slide 24 - Tekstslide

Neus is bekleed met reukslijmvlies, hierin zitten reukzintuigcellen = chemoreceptoren. = langgerekte cellen met haarfijne uitlopers in de neusholte. aan de nadere kant lopen zij uit in zenuwvezels/ reukharen. een reukzenuw staat in verbinding met de herstenstam, het limbisch systeem , de hypothalamus en de hersenschors. 

primaire geuren:
  • rottingsgeuren
  • scherpe geuren
  • muskusgeuren
  • geur van etherachtige stoffen
  • mintgeur
  • bloemen en fruitgeur
  • kamfergeur







n. Olfactorius --> Reuk centrum

Reukslijmvlies (reuk epitheel)

2,5m2 --> 100 miljoen reukzintuigcellen

Chemoreceptoren
De tong (lingua)

Slide 25 - Tekstslide

  • Smaakzintuigen: haarfijne uitlopers aan de kant van de mondholte aan de andere kant eindigen ze in een zenuwvezel: gespecialiseerde epitheelcellen
  • Ze liggen in groepjes van bolvormige smaakknopjes
  • smaakpapil: door de struktuur van de smaakpapil worden smaakknopjes beschermd tegen beschadiging bij het kauwen
  • Alleen oplosbare stoffen kunnen de smaakzintuigen prikkelen
  • chemoreceptoren
  • tast-, druk en temperatuurzintuigen

N. Lingualis (Tong zenuw)

5 Smaken:  zout, zuur, bitter, zoet en umami

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Proeven doe je niet alleen met je tong, tijdens het proeven maak je ook gebruik van je geurzintuig bovenin je neus.

De neusholte is bekleed met neusslijmvlies, in het reukslijmvlies liggen reukzintuigcellen. Deze reageren op geurprikkels.

Misschien loopt het water je al in de mond bij de geur van frituur als je langs de snackbar fietst. Dit komt omdat je neus veel invloed heeft op je smaak. Geur- en smaakonderzoeker Sanne Boesveldt legt uit hoe belangrijk geur is voor wat je proeft.

Deskundige


: Sanne Boesveldt
Programma: Voeding en ons brein (MAX)

Je kan dit testen met snoepjes, zoals jellybeans met banaansmaak. Zonder geur weet je alleen welke basissmaak iets heeft: zoet, zuur, zout, bitter of umami. In dit geval dus zoet. Als hier geur bijkomt, zorgt dit voor een extra smaakdimensie. Hierdoor kan je de specifieke smaak van banaan proeven. 

Wanneer je iets ruikt bindt deze geur zich aan je reukslijmvlies in je neus. Via je reukslijmvlies wordt deze informatie naar je hersenen gestuurd. Als je iets eet komen die smaken eerst in je mond vrij. Maar om goed te kunnen proeven gaan deze smaakstofjes ook via het reukslijmvlies naar je hersenen. 

Dit reukslijmvlies is dus heel belangrijk voor welke smaken je proeft. Als je neus dicht zit of verstopt is kunnen smaken en geuren je reukslijmvlies minder goed bereiken. Daardoor proef je veel minder.

Geur en je neus zijn ook belangrijk voor je eetlust. Want de informatie die via geur naar je hersenen gaat, heeft veel invloed op wanneer je trek krijgt. Bijvoorbeeld door de geur van vers brood bij de bakker.



In het reukzintuig ontstaan impulsen/prikkels, via de zenuwen gaan de impulsen naar het centrale zenuwstelsel.
De Huid

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten zintuigen in de huid

Slide 29 - Tekstslide

Niet ieder deel van je lichaam kan even goed voelen. Dat komt omdat de zintuigcellen niet overal even eerlijk verdeeld zijn. Aan het mannetje hiernaast zie je welke delen van je lijf heel goed voelen. Die delen zijn heel groot afgebeeld. De delen waarmee je veel minder goed voelt zijn veel kleiner gemaakt. 

Werking van het tastzintuig
Verschillende gespecialiseerde lichaampjes en zenuwuiteinden gelegen in of vlak onder de huid, sturen signalen over de sensatie die ze waarnemen naar de hersenen. Vooral het sensorische projectiegebied is betrokken bij de verwerking van tastprikkels.
De tast- en drukreceptoren bevinden zich overal in de huid, alleen zijn deze niet gelijkmatig verdeeld over ons lichaam. De vingers, voeten, lippen en tong hebben bijvoorbeeld een heleboel sensoren. Op de rug zitten er relatief weinig. Er bestaan verder fasische tastzintuigen die vooral gevoelig zijn voor veranderingen in druk, en tonische tastzintuigen die signalen uitzenden zolang de prikkeling aanhoudt. De laatsten vindt men bijvoorbeeld rondom het hart waar zij de bloeddruk registreren.
Er bestaat verschil in gevoeligheid tussen de verschillende delen van het lichaam, zoals de hand. De vingertoppen zijn erg gevoelig, omdat er zich hier veel uiteinden van zenuwen bevinden. De handpalm is relatief minder gevoelig.
Soorten Zintuigen
Temperatuur - Thermoreceptoren

  • Lichaampje van Ruffini
  • Lichaampje van Krause

Slide 30 - Tekstslide



Thermoceptie of temperatuurzin is het vermogen van
Locatie van het temperatuurzintuig
De zenuwuiteinden die de temperatuurprikkels detecteren, zitten over diverse lichaamsdelen verspreid. Het is een diffuus gelokaliseerd zintuig, net als nociceptie en proprioceptie.
Aan de buitenkant van het lichaam zijn het zenuwuiteinden in (vooral) de huid, het hoornvlies en het trommelvlies, en aan de binnenkant van het lichaam zijn het zenuwuiteinden in de organen en in het bewegingsapparaat.
Ook binnen de hersenen, in de hypothalamus, bevinden zich temperatuur-receptoren die de temperatuur van het bloed meten.
Warmte-prikkels Warmte-receptoren heten ook wel 'lichaampjes van Ruffini'.
Kou-prikkels Kou-receptoren heten ook wel 'lichaampjes van Krause'.


Soorten Zintuigen
Pijn - Nociceptie
  • Mechanische – forse druk
  • Thermische – flinke afwijkingen  
  • Chemische: minimumconcentratie chemische stoffen.


Slide 31 - Tekstslide

Nociceptie of pijnzin
Locatie van het pijnzintuig
De zenuwuiteinden die de pijnprikkels detecteren, zitten over vele lichaamsdelen verspreid. In die zin is nociceptie net als proprioceptie en thermoceptie een diffuus gelokaliseerd zintuig.
Aan de buitenkant van het lichaam zitten de pijnzenuwen in de huid, het hoornvlies en het trommelvlies, en aan de binnenkant van het lichaam bevinden de pijnzenuwen zich in de organen (viscerale pijnzin) en in het bewegingsapparaat.
De externe pijnprikkels die via pijnzenuwen in huid, hoornvlies en trommelvlies worden doorgegeven, zijn te verdelen in stekend en dof. Stekende pijn volgt snel op de pijnprikkel en is goed lokaliseerbaar. Doffe pijn volgt vlak na de stekende pijn, en is ten opzichte van de stekende pijn minder intens en minder goed lokaliseerbaar (onbestemder). Door hun volgordelijkheid heten ze ook wel primair en secundair.

Soorten Zintuigen
Aanraken - tactiel
  • Lichte aanraking -  op de onbehaarde huiddelen:  het tastlichaampje van Meissner.
  • Aanhoudende aanraking - via de schijf van Merkel. 
  • Vibraties -  druklichaampje van Vater-Pacini.
  • Bestreken huid - peritrichale zenuwen.   

Slide 32 - Tekstslide

Soorten tactiele prikkels
  • Lichte aanraking
Lichte aanraking wordt op de onbehaarde huiddelen gevoeld door het tastlichaampje van Meissner.
  • Aanhoudende aanraking
Aanhoudende aanraking komt als prikkel binnen via de zogenoemde schijf van Merkel. Tactiele zenuwuiteinden van dit type zijn langzaam adaptief, dat wil zeggen dat ze hun pulsen nog lang blijven afvuren naar de hersenen nadat de aanraking begon.
  • Vibraties
Vibraties en snelle variaties in druk worden verwerkt door het druklichaampje van Vater-Pacini.
  • Bestreken huid
Bestreken huid wordt geregistreerd door de peritrichale zenuwen. Dit zijn zenuwuiteinden die om de haarfollikels gedraaid zitten. Het gevoel dat deze peritrichale zenuwen veroorzaken is duidelijk op te wekken door tegen de natuurlijke stand van de hoofdharen in te strijken.

De huid

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Quiz
Er volgen nu er quizvragen over de bouw, functie en werking van de zintuigen.
Let op: je hebt beperkt de tijd om elke quizvraag te beantwoorden

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk onderdeel van het oog wordt in het plaatje aangeduid met het cijfer 1?
A
pupil
B
lens
C
iris
D
hoornvlies

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk deel van het oog wordt in het plaatje aangeduid met het cijfer 8?
A
hoornvlies
B
netvlies
C
vaatvlies
D
gele vlek

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Met welke zintuigcellen in het oog zie je kleur en waar liggen deze cellen?
A
met de staafjes, deze liggen met name in het centrum van het netvlies
B
met de kegeltjes, deze liggen met name in het centrum van het netvlies
C
met de staafjes, deze liggen het meest aan de buitenranden van het netvlies
D
met de kegeltjes, deze liggen het meest aan de buitenranden van het netvlies

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wat is de blinde vlek?
A
Het is de plaats waar de oogzenuw met het netvlies verbonden is
B
Het is de plaats waar de meeste kegeltjes in het netvlies liggen
C
Het is de plaats waar de meeste staafjes in het netvlies liggen
D
Het is de plaats waar het licht het oog binnenvalt

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het doel van de pupilreflex is het regelen van de hoeveelheid licht die in het oog valt. Wat gebeurt er met je pupil als je vanuit het donker een verlichte kamer binnenstapt?
A
de pupil wordt groter
B
de pupil wordt kleiner

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Welk deel van het oor is in de afbeelding aangeduid met het cijfer 1?
A
de gehoorgang
B
het trommelvlies
C
het slakkenhuis
D
de stijgbeugel

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wat is de functie van het onderdeel dat in het plaatje met het cijfer 8 is aangeduid?
A
doorgeven van geluidstrillingen aan de gehoorbeentjes
B
doorgeven van de geluidsprikkel richting de hersenen
C
omzetten van geluidstrillingen in prikkels/impulsen
D
zorgen dat de luchtdruk binnen en buiten het oor gelijk blijft

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wat is de functie van de gehoorbeentjes?
A
doorgeven van geluidstrillingen vanuit de gehoorgang aan het trommelvlies
B
omzetten van geluidstrillingen in een elektrische impuls
C
doorgeven van geluidstrillingen vanuit het trommelvlies aan het slakkenhuis
D
doorgeven van geluidstrillingen vanuit het slakkenhuis aan de gehoorzenuw

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wat is de functie van de N. Lingualis?
A
doorgeven van prikkels van de smaakzintuigcellen naar de hersenen
B
doorgeven van prikkels van de reukzintuigcellen naar de hersenen
C
doorgeven van prikkels van de oogzintuigcellen naar de hersenen
D
doorgeven van informatie over de stand van het lichaam naar de hersenen

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wat is de functie van de smaakpapil?
A
prikkels doorgeven aan de tongzenuw
B
beschermen van de smaakzintuigcellen
C
prikkels doorgeven richting de hersenen
D
beschermen van de tongzenuw

Slide 45 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk type zintuigcellen zorgen er in de neus voor dat je kan ruiken?
A
thermoreceptoren
B
chemoreceptoren
C
mechanoreceptoren
D
fotoreceptoren

Slide 46 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


De prikkels vanuit de reukzintuigcellen worden naar de hersenen gestuurd via de:
A
N. Olfactorius
B
N. Lingualis
C
N. Opticus
D
N. Cochlearis

Slide 47 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In de huid liggen de meeste zintuigcellen in:
A
de opperhuid
B
de lederhuid
C
het onderhuids bindweefsel

Slide 48 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Stelling:
In de huid liggen zowel thermoreceptoren, mechanoreceptoren, pijnreceptoren en fotoreceptoren
A
waar
B
niet waar

Slide 49 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies