les mavo 2 week 10

Welcome!
Ga op je vaste plek zitten.
- Pak je laptop
-Studieplanner
- Pen en schrift
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Welcome!
Ga op je vaste plek zitten.
- Pak je laptop
-Studieplanner
- Pen en schrift

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  • Lezen
  • Lesdoelen
  • Uitleg: vragend vnw en aanwijzend vnw
  • Zelfstandig werken: Maken opdracht 1  t/m 4
  • Pauze
  • Zelfstandig werken: Maken opdracht 1 t/m 4
  • Einde les


Slide 2 - Tekstslide

Lezen
timer
15:00

Slide 3 - Tekstslide

Lesdoelen
Je weet wat een vragend voornaamwoord is. 
Je weet wat een aanwijzend voornaamwoord is.

Je kunt in een zin het vragend en aanwijzend voornaamwoord benoemen. 

Slide 4 - Tekstslide

Woordsoorten
vragend voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord 

Slide 5 - Tekstslide

Vragend voornaamwoord
Vragend voornaamwoord = vnw (afkorting)

Wie, wat, welke, wat voor (een)
(verwijzen ALTIJD naar mensen of dingen)

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video


Benoem het vragend voornaamwoord.

Wie is er in een schrikkeljaar geboren? 

Slide 8 - Open vraag


Benoem het vragend voornaamwoord.

Ik weet niet wat we vandaag gaan eten. 

Slide 9 - Open vraag


Benoem het vragend voornaamwoord.

Wanneer kun je het beste beginnen met leren? 

Slide 10 - Open vraag


Benoem het vragend voornaamwoord.

Wat voor een hond past bij jou? 

Slide 11 - Open vraag


Benoem het vragend voornaamwoord.

Weet je welke prijs we gewonnen hebben? 

Slide 12 - Open vraag

Aanwijzend voornaamwoord
Een aanwijzend voornaamwoord wijst altijd iets of iemand aan. De aanwijzende voornaamwoorden die het meest gebruikt worden : die, dit, dat, deze, zulke, dergelijke, zo'n.
  

ONTHOUD: het aanwijzend voornaamwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord

Slide 13 - Tekstslide

Een aanwijzend voornaamwoord kan in plaats van een lidwoord voor een zelfstandig naamwoord (zn) staan. Het verwijst naar het zn en maakt het zn specifieker.

1) Mag ik een pen van jou? (een = lw)
2) Mag ik deze pen van jou? (deze = aanw. vnw)
In zin 1) wordt een willekeurige pen bedoeld en zin 2) een specifieke pen. 

Een aanwijzend voornaamwoord kan in plaats van een lidwoord voor een zelfstandig naamwoord (zn) staan.

Het verwijst naar het zn en maakt het zn specifieker.
1) Mag ik een pen van jou? (een = lw)
 2) Mag ik deze pen van jou? (deze = aanw. vnw)
 
In zin 1) wordt een willekeurige pen bedoeld en zin 2) een specifieke pen. 

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video


Benoem het aanwijzende voornaamwoord.

Deze vraag vind ik helemaal niet moeilijk. 

Slide 16 - Open vraag


Benoem het aanwijzende voornaamwoord.

Ik heb dit onderdeel altijd al makkelijk gevonden. 

Slide 17 - Open vraag


Benoem het aanwijzende voornaamwoord.

Dergelijke vragen mogen ze me gerust stellen.  

Slide 18 - Open vraag


Benoem het aanwijzende voornaamwoord.

Aanwijzend voornaamwoord vind ik zo'n gemakkelijke woordsoort.  

Slide 19 - Open vraag

Oefenen
  • Jufmelis.nl
  • cambiumned.nl
  • meesternickey

Slide 20 - Tekstslide

Maken
§ 4.7 opdracht 1 t/m 4(Online)

Klaar? ga door met de opdrachten van Grammatica(online)

Slide 21 - Tekstslide

Maken
§ 4.3 opdracht 1 t/m 8
§ 4.7 opdracht 1 t/m 4(Online)

Klaar? ga door met de opdrachten van Grammatica(online)

Slide 22 - Tekstslide

Pauze
timer
5:00

Slide 23 - Tekstslide

Welcome!
Ga op je vaste plek zitten.
- Pak je laptop
-Studieplanner
- Pen en schrift

Slide 24 - Tekstslide

Programma
  • Lezen
  • Lesdoelen
  • Uitleg: vragend vnw en aanwijzend vnw
  • Zelfstandig werken: Maken opdracht 1  t/m 4
  • Pauze
  • Zelfstandig werken: Maken opdracht 1 t/m 4
  • Einde les


Slide 25 - Tekstslide

Lezen
timer
12:00

Slide 26 - Tekstslide

Lesdoelen
Je wat tekstsoorten zijn.
Je weet wat beeld en opmaak in een tekst is.
Je weet wat het leespubliek van een tekst is.

Je kunt tekstsoorten, beeld en opmaak in een tekst en het leespubliek van een tekst herkennen.

Slide 27 - Tekstslide

Tekstsoorten
  • Informatieve teksten
  • Tekst met een mening
  • Activerende teksten
  • Amuserende teksten  

Slide 28 - Tekstslide

Beeld en opmaak
De manier waarop de tekst is vormgegeven

Door:
  1. De verdeling van de tekst over blz. of website
  2. De soort letter en de grootte van de letter
  3. het gebruik van kleuren
  4. de plaatjes bij de tekst


Slide 29 - Tekstslide

Beeld en opmaak
Ander woord voor beeld en opmaak is: lay-out

Huisstijl: altijd zelfde letter, kleuren en plaatjes -> bedrijven
Logo: plaatje waaraan je een bedrijf herkent

Slide 30 - Tekstslide

Leespubliek
Een bepaalde groep lezers
Hoe weet je voor wie een tekst bedoelt is? Let op: 
  1. soort plaatjes
  2. bron
  3. taalgebruik
  4. onderwerp
  5. hoe de lezer wordt aangesproken: u of jij

Slide 31 - Tekstslide

Maken
§ 4.3 opdracht 1 t/m 8(Boek)
§ 4.7 opdracht 1 t/m 4(Online)

Klaar? ga door met de opdrachten van Grammatica(online)

Slide 32 - Tekstslide


Benoem het aanwijzende voornaamwoord.

Deze sommen vind ik heel moeilijk. 

Slide 33 - Open vraag


Benoem het aanwijzende voornaamwoord.

Ik heb dit raam wit geverfd voor mijn tante. 

Slide 34 - Open vraag


Benoem het vragend voornaamwoord.

Wat voor een schoen heb jij gekocht? 

Slide 35 - Open vraag


Benoem het vragend voornaamwoord.

Ik weet niet wat we vandaag gaan doen. 

Slide 36 - Open vraag

Vragend vnw en aanwijzend vnw
Noem ze op!

Slide 37 - Tekstslide

Volgende les
  • Neem mee:
  • Boek B
  • Leesboek
  • Laptop

afmaken: § 4.3 opdracht 1 t/m 8
§ 4.7 opdracht 1 t/m 4(Online)

Slide 38 - Tekstslide