Je kunt met gegevens over een reactie de reactiesnelheid berekenen in mol per liter per seconde (mol L−1 s−1).
Slide 3 - Tekstslide
Reactiesnelheid
sgem de gemiddelde reactiesnelheid in mol per liter per seconde (mol L−1 s−1);
[A] de concentratie van stof A in mol per liter (mol L−1);
t de tijd in seconden (s).
Slide 4 - Tekstslide
Reactiesnelheid
voorbeeld: N2O4(g) → 2 NO2(g)
Slide 5 - Tekstslide
voorbeeldopdracht 1
Slide 6 - Tekstslide
voorbeeldopdracht 1
Slide 7 - Tekstslide
voorbeeldopdracht 2
Lees voorbeeldopdracht 2 voor jezelf door
Slide 8 - Tekstslide
Maken: 1 t/m 6 (blz 91)
Slide 9 - Tekstslide
1
a) bijvoorbeeld: de explosie van dynamiet; de verbranding van benzine in een automotor; de verbranding van aardgas
b) bijvoorbeeld: het roesten van ijzer; de ontleding van waterstofperoxide door middel van licht; de verbranding van voedsel in je lichaam
Slide 10 - Tekstslide
2
a) De reactiesnelheid is over het algemeen niet constant, waardoor je niet van één reactiesnelheid kunt spreken.
b) Door de concentratieverandering te delen door de verstreken tijd, weet je hoeveel mol per liter er gemiddeld per seconde is omgezet. Dat aan het begin van het tijdsinterval de reactiesnelheid groter was dan aan het eind, maakt dan niet uit.
Slide 11 - Tekstslide
3
a) De reactiesnelheid is constant. Dit betekent dat telkens dezelfde hoeveelheid ammoniak wordt omgezet per seconde. Het concentratie-tijddiagram laat een rechte lijn zien met een constante richtingscoëfficiënt. Dat is grafiek b.
b) De reactiesnelheid neemt steeds verder af in de tijd. In het begin is de reactiesnelheid groot. Daarna wordt de reactiesnelheid steeds kleiner. De concentratie neemt in het begin ook snel af, omdat de reactiesnelheid groot is. Daarna is de afname van de concentratie steeds kleiner. De grafiek loopt dus steeds minder steil. Daarbij hoort grafiek a.
Slide 12 - Tekstslide
3
c) De reactiesnelheid neemt steeds meer toe. Daardoor neemt de concentratie beginstof steeds sneller af. De grafiek loopt steeds steiler. Hierbij hoort grafiek c.
Slide 13 - Tekstslide
4a
Slide 14 - Tekstslide
4a
Slide 15 - Tekstslide
4b
Slide 16 - Tekstslide
4c
Nee, want je hebt nog 0,7 g magnesium en er is een overmaat zoutzuur
Slide 17 - Tekstslide
Maken: 5 en 6
Slide 18 - Tekstslide
5
a) C2H6(g) + Br2(l) → C2H5Br(l) + HBr(g)
b)
Slide 19 - Tekstslide
5
a) C2H6(g) + Br2(l) → C2H5Br(l) + HBr(g)
b)
Slide 20 - Tekstslide
5c
Slide 21 - Tekstslide
5
d) Gedurende de reactie nemen de ethaan- en broomconcentratie steeds verder af. Daardoor is er steeds minder beginstof om te reageren. De reactiesnelheid neemt dan gedurende de tijd af. Op het laatst lijkt de reactiesnelheid constant te worden.
Slide 22 - Tekstslide
6
a) C6H12O6(aq) → 2 CO2(g) + 2 C2H5OH(aq)
b) De gisten gaan dan dood, waardoor de reactie niet meer kan plaatsvinden.
c) De reactie is exotherm. Er staat immers een minteken (−) voor het getal. Dat betekent dat er warmte vrijkomt. De reactor zal moeten worden gekoeld om de gisten niet dood te laten gaan.
Slide 23 - Tekstslide
6d
Slide 24 - Tekstslide
6e
e) De gisten groeien op de glucose. Er komen steeds meer gistcellen in de reactor, waardoor de reactiesnelheid steeds groter kan worden.