Werken in de supermarkt

Werken in de supermarkt 
1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomiePraktijkonderwijsLeerjaar 1

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Werken in de supermarkt 

Slide 1 - Tekstslide

Supermarkt

Slide 2 - Woordweb

Supermarkt
In een supermarkt worden allerlei etenswaren verkocht. En nog meer soorten artikelen. Bijvoorbeeld huishoudelijke spullen

In de supermarkt is je belangrijkste taak het vakken vullen
Daarnaast help je mee met het netjes en schoon houden van de supermarkt

Soms draai je kassa. Als je een klant iets vraagt geef je altijd beleefd antwoord

Slide 3 - Tekstslide

Wat zijn je 2 belangrijkste taken in de supermarkt?

Slide 4 - Open vraag

Vakken vullen
In de supermarkt pakken de klanten artikelen uit de schappen

De schappen raken daardoor leeg. Daarom ga je vakken vullen

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

FiFo
Er zijn regels voor het vakkenvullen.
Je moet het FiFo-systeem gebruiken. Dit is een Engelse afkorting voor first in, first out. Wat het eerst komt, gaat er ook het eerst uit.
Dat is vooral belangrijk voor etenswaren, want dat zijn producten met een houdbaarheidsdatum

Slide 7 - Tekstslide

Producten voorbij de houdbaarheidsdatum kun je niet meer verkopen. 

Producten die al langer in het schap staan, zet je daarom vooraan. 

De nieuwste producten zet je achteraan.
De klant neemt zo de oudste producten het eerst mee

Slide 8 - Tekstslide

Waarom is het belangrijk dat de klant de oudste producten eerst meeneemt?

Slide 9 - Open vraag

THT
In de supermarkt hebben veel producten een THT-datum
THT betekent: Ten minste Houdbaar Tot
Deze datum staat op producten die snel bederven.
Bijvoorbeeld melk, kaas en vlees. 

Als de THT-datum voorbij is kan je het product niet meer verkopen

Slide 10 - Tekstslide

Welke van de 2 producten zet je vooraan in het schap?

Slide 11 - Tekstslide

Welke van de 2 producten zet je vooraan in het schap?

Slide 12 - Tekstslide

Producten controleren
Voordat je een vak vult, maak je het vak eerst helemaal leeg.
Controleer de producten die je uit het vak haalt.

Kijk wat je terug kan zetten en wat niet. 

Kapotte producten en producten over datum kan je niet terugzetten want de klanten willen die niet kopen. 

Slide 13 - Tekstslide

Welke producten zet je niet terug in het vak?

Slide 14 - Tekstslide

Schappen schoonmaken
Als het vak leeg is, maak je het eerst goed schoon.
Klanten kopen geen producten uit vieze schappen.

Sommige vakken zijn sneller vies dan andere.
Bijvoorbeeld een vak met melkpakken. De pakken kunnen gaan lekken of gaan helemaal stuk.
Dan gaat het vak plakken of stinken, dus moet je het vak schoonmaken

Slide 15 - Tekstslide

Je gaat een vak schoonmaken, welke spullen heb je nodig?

Slide 16 - Tekstslide

Rolcontainer
Je hebt het vak schoongemaakt. Daarna moet je het weer vullen met oude en nieuwe producten.

Nieuwe producten haal je uit het magazijn.
Je rijdt ze op een rolcontainer de winkel in

Slide 17 - Tekstslide

Waarom gebruik je een rolcontainer voor het halen van nieuwe producten?

Slide 18 - Open vraag

Vandaag
  • Klas in 2 groepen verdelen
  • Les
  • Spelletje als er tijd over is

Slide 19 - Tekstslide

Spiegelen
De producten moeten netjes in de vakken staan. Dan kunnen klanten makkelijk vinden wat ze nodig hebben. Je zet alle producten zo ver mogelijk naar voren. 

Dit noem je spiegelen. Zo lijkt het of het vak helemaal vol staat en kan de klant er makkelijk bij

Slide 20 - Tekstslide

Waarom moet je spiegelen?

Slide 21 - Open vraag

Op welk plaatje is er goed gespiegeld?

Slide 22 - Tekstslide

Op welk plaatje is er goed gespiegeld?

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

Informatie bordjes 
Voor elk product staat een bordje met informatie. 
Controleer of het bordje klopt. 

Soms verplaats je de producten naar een ander schap, dan moeten de informatie bordjes ook aangepast worden. 

Zo kan de klant zien welk product het is en wat het kost 

Slide 25 - Tekstslide

Vragen van de klanten beantwoorden
Tijdens het vakkenvullen sta je in de winkel. 
Het kan zijn dat een klant een vraag aan je stelt. Blijf dan altijd vriendelijk en beleefd. Probeer antwoord te geven op de vraag. 
Als je iets niet weet is dat niet erg. 
Zeg tegen de klant dat je het gaat vragen aan een collega. 

Slide 26 - Tekstslide

Je bent vakken aan het vullen. Een klant vraagt waar ze eieren kan vinden. Je hebt geen idee. Wat zeg je tegen de klant?


A. 'U ziet toch dat ik bezig ben?'
B. 'Kijk maar even rond, dan komt u het vanzelf tegen.'
C. 'Heeft u een moment, ik vraag het aan mijn collega'
D. 'Ik weet het niet mevrouw.'

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Video

Aandacht op de klant richten
Soms werk je aan de kassa. De klant ziet jou als laatste voordat hij weggaat. 

Daarom is het extra belangrijk dat je een goede indruk achterlaat. Dit doe je door oogcontact te maken, vriendelijk en beleefd te zijn tegen de klant. 

Als je aan de kassa werkt, klets je niet met je collega's. Je richt je aandacht op de klant

Slide 29 - Tekstslide

Wat gaat er niet goed?

Slide 30 - Tekstslide

Wat gaat er niet goed?

Slide 31 - Tekstslide

Wat gaat er niet goed?

Slide 32 - Tekstslide

Opruimen
In de supermarkt help je vaak mee met opruimen en schoonmaken want een winkel moet er netjes en schoon uitzien. 
Als de supermarkt rommelig is, ga je opruimen. Opruimen is belangrijk voor de veiligheid. 

Slide 33 - Tekstslide

Opruimen
In een opgeruimde supermarkt vallen mensen niet over rommel. En kunnen ze zich dus ook niet bezeren. 
Een opgeruimde supermarkt geeft mensen ook een fijner gevoel. 
Mensen hebben meer ruimte. Daarom ruim je de supermarkt regelmatig op. Je ruimte altijd op voordat je gaat schoonmaken, dan kan je overal beter bij. 

Slide 34 - Tekstslide

Wat is het gevaar?

Slide 35 - Tekstslide

Wat is het gevaar?

Slide 36 - Tekstslide

Schoonmaken
Na een tijdje worden alle ruimtes in de supermarkt stoffig. Dan is het tijd om schoon te maken. Stof zie je niet altijd, maar het is er wel. Stof is niet goed voor je gezondheid en winkelen in een stoffige winkel is natuurlijk niet prettig

Slide 37 - Tekstslide

Waarom moet je de winkel regelmatig afstoffen?

Slide 38 - Open vraag

Bacteriën 
In stof kunnen bacteriën zitten. Dat zijn piepkleine beestjes. Je kunt ze met het blote oog niet zien, maar wel ziek van worden. Als je schoonmaakt, haal je de beestjes weg. 
Stof afnemen helpt dus om gezond te blijven. 

Slide 39 - Tekstslide

Hoe komt het dat stof niet goed is voor je gezondheid?

Slide 40 - Open vraag

Afstoffen
Droog stoffen doe je met een stofdoek of een microvezeldoek. Je kunt ook nat stof afnemen, dat kan met een klamvochtige microvezeldoek. 

De vloer doe je met een bezem of een stofzuiger

Slide 41 - Tekstslide

Je werkt altijd in een bepaalde volgorde bij stof afnemen:
  • Je begint met gedeeltes die niet zo stoffig zijn
  • Je werkt altijd van boven naar beneden
  • Je werkt van binnen naar buiten 

Slide 42 - Tekstslide

In welke volgorde maak je schoon?

Slide 43 - Tekstslide

De vloer schoonmaken
Als er iets kapot valt moet je de vloer schoonmaken. 
Dit moet je direct doen want kapot glas is gevaarlijk. 

Eerst veeg je het grote vuil op met een veger en blik. Daarna ga je moppen
Dit doe je eerst met emmer water, schoonmaakmiddel en een mop

Slide 44 - Tekstslide

Slide 45 - Video